B O R Y S T H E N E S
eenen aen de bruyt een schoon hemt toe te reycken. Indien sy in 't hemt, 't welck de bruyt dan uyttreckt, de teeckenen van de maeghdelijcke schaemte vinden, soo vervullen sy het geheele huys met gedans, en vrolijck geroep, en roepen 't maeghschap tot getuygh. Sy kleeden eyndelijck weder de bruyt, setten haer een hulsel op 't hooft; en dus wordt sy onder de huysmoeders aengenomen. De nieuwe gehuwde behoud namaels de selfde hooftverciering, de welcke de maeghden, volgens de gewoonte, niet mogen gebruycken; en oock soude 't aen hen tot schande strecken: want de maeghden gebruycken geen ander hooft-cieraet, dan hun hair, oft een bloemkrans.
Op den tweeden dagh van de bruyloft wordt een ander vrolijck spel gespeelt, 't welck groote verwondering in de gene sou veroorsaken, die noyt iets diergelijck hadden gesien. Sy dragen 't hemt van de bruyt, met de smetten van de maeghdom besprengt, op een kruysstock, door de mouwen heen stekende, gelijck een vaendel, oft triumphteecken, langs alle de kruyswegen van het dorp oft vleck, om aen alle menschen te toonen, soo wel d'eerbaerheyt van de bruyt oft nieugehuwde vrouw, als de mannelijckheyt van de bruydegom. Sy sijn alle by dit schouspel, met speelgereetschap, gesangen en danssen. De jongelingen hebben ondertusschen yder een dochter by sich, en sy, dus als in zegeprael 't geheele dorp deur gewandelt hebbende, keeren alle weder naer't huys van de nieugehuwde man.
Doch indien, na de byslaping, de teeckenen van de maeghdelijcke eerbaerheyt niet te voorschijn komen, soo smijt yder sijn kroes ter aerden, de vrouwen houden op van singen, de bruyloft raeckt overhoop, en neemt een eynde, d'ouders van de bruyt sijn beschaemt, en lijden smaet, en yder keert bedroeft weder naer huys, maer voornamelijck d'ouders van de dochter. De bruydegom heeft dan vryheyt om sijn bruyt te verstooten; en indien hy haer wil behouden, soo moet de nieugehuwde vrouw alle de gemelijckheden van haer man verdragen, en alle haer levenstijdt smaet uytstaen.
Wat de seden van dese boere-wijven aengaet, ick wil hen geerne in't algemeen de prijs van kuysheyt toestaen. En hoewel sy, uyt oorsaeck van hun overvloedigh drincken van gemaeckte wijn en meê, lichtelijck te genaken souden sijn, soo worden sy echter door dese openbare schande des huwelijcks afgeschrickt, om hun eerbaerheyt ongekrenckt hun bruydegom toe te brengen.
Na dat wy de seden der Russen en Cosacken hebben vertoont, soo is 'er noch iets van hun gebruyck, in 't genesen van hun sieckten, te seggen: ick heb seer veel Cosacken gesien, die, in koorts gevallen sijnde, geen andere remedie daer toe gebruyckten, dan van bussekruyt, in siedende brandewijn gemengt, daer af sy droncken, en op hun elleboogh gingen leggen, en in de volgende uchtent gesont opstonden. Ick self had een koetsier, die, eenige malen van de koorts aengetast, door de geseyde dranck tot sijn voorgaende gesontheyt herstelt wierdt;
welcke verborgentheyt aen geen van d'onsen, soo Medicijnen, als Apotekers, oyt bekent heeft geweest. Ick heb eenige sien asch drincken, in brandewijn gemengt, en dat daer op de selfde wercking is gevolght. Ick heb hen dickwils de selfde neerstigheyt van sich selven te genesen sien toonen, als sy eenige wonden, 't sy van een slagh, oft van een stock ontsangen hadden, maer voornamelijck als sy met een pijl gewont sijn. Sy, geen wondheelders omtrentsich hebbende, nemen een weynigh kley, 't welck sy met speecksel weeckmaken, en dus op de wondt leggen; en sy worden hier af soo wel genesen, als oft sy de beste playsters daer toe gebruyckten. Daer uyt blijckt dat de noot, die 't verstant schrander maeckt, oock in dese gewesten haer gewoone wercking doet. My heught dat ick sekere Cosack aen de rivier Samar heb sien visch koken in een houte vat, oft schuttel, de welck de Cosacken en Polen achter te paert voeren, soo om hun paerden te drencken, als oock tot ander gebruyck geschickt. En dewijl men de schuttel niet op't vuer kan setten, uyt vrees van dat sy branden soude, en echter de krijghsknecht de spijs gekoockt wilde hebben, soo wierp hy groot drijfsant, uyt de rivier gehaelt, in de haert,'t welck hy,soo heet als 't was, in de schuttel, vol water sijnde, wierp, en dit soo dickwils, tot dat het water koockte, en de visch gaer en bequaem om t'eten was: een ruwe en grove wijse van spijs te koocken, maer die echter haer geestigheyt heeft.
My heught dat ick hier voor van sekere sieckte, onder de Russen gemeen, gesproken heb, die Koltun, oft Warhair genoemt wordt. 't Sal niet ongevoeghelijck sijn iets daer af te seggen. De gene, die van dese sieckte aengetast wordt, is't geheel jaer, gelijck een lam mensch, van het gebruyck van alle sijn leden berooft; doch echter met groote pijn in de senuwen, in voegen dat hy geduerigh krijt. Maer ten eynde van een jaer krijgen sy een groote sweeting in 't hooft, in voegen dat in de volgende uchtent al hun hair te samen gekrult, en dick gerolt is, gelijck een staert, oft gelijck de stronck van een boom, oft gelijck de Spaensche zeekatten, en knobbelig en geklontert bevonden wordt. De siecken gevoelen dan merckelijcke verlichting van pijn, en geraken, na verloop van eenige dagen, weder tot volkomen gesontheyt, ja soo, dat sy, uytgesondert het ongemack aen hun hair, geen pijn meer gevoelen. Sy moeten dan hun hair niet kemmen, veel min het afsnijden voor twee dagen, tot dat de vocht, die gemeenelijck door de pijpjes van 't hair deurgaet, uytgevloeyt is: andersins sou de vocht, dus binnen gebleven, en op de senuwen vallende, hen blint maken.
Dese sieckte wordt by hen ongeneesselijck geacht. Maer ick heb echter seer veel daer af genesen, op de selfde wijse daer meê men in Vranckrijck de gene, die de kinderpocken hebben, geneest. En veel van dese sieckte geraeckt, veranderen van wooning, en lucht; 't welck een ongevoelijcke, doch echter langdurige remedie is. Men krijght dese sieckte niet, als iemant, gesont sijnde, met de gene, die daer af geraeckt