Naar inhoud springen

Pagina:Description of Ukraine (Borysthenes) Atlas Maior NL 1664.pdf/23

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

B O R Y S T H E N E S

het dan acht oft tien dagen achter malkander regent, soo is dit oock d'ondergang van dese sprinckhanen, schoon sy dan al groot geworden sijn, vermits sy, van de koude regen overvallen, niet konnen vliegen; en dese regen is seer heylsaem voor d'inwoonders van de plaets. Doch indien de somer droogh is, gelijck daer ten meestendeel gebeurt, soo worden d'elendige menschen daer seer swarelijck geplaeght van dese kleyne beesjens, tot aen de maent van October, in de welcke dit schadelijck gedierte ten meestendeel sterft. Hier staet oock t'aenmercken, dat men somtijts sprinckhanen vind van een vinger dick, en drie oft vier vinger leden lang; oock dat sy vleugels hebben, daer Chaldeeusche letteren op staen, van de welcke dit de sin is, om d'oogst te verdelgen, gelijck de gene seggen, die inde selfde tael kundigh sijn; doch ick wil dit niet verder versekeren, dan dat de Schrijvers sulcks seggen.

Men moet oock niet met swijgen voorbygaen, dat tusschen de rivieren Sula en Suporo, die beyde in de Borysthenes stroomen, beesjens gevonden worden, gemeenelijck bobaki genoemt, van gestalte en grootheyt gelijck de konijnen van Lybien, die niet meer dan vier tanden, twee boven en twee onder hebben, en van hair en verwe tusschen geel en root. Sy onthouden sich, gelijck oock de konijnen, in de holen van d'aerde; en in de maent van October vertrecken sy sich voor de geheele winter in hun holen, daer sy niet uytkomen, dan in de maent van April, in welcke tijdt sy sich weder over het velt aen alle sijden begeven, om hun lijftocht te soecken, en sich in de somer tegen d'aenstaende winter te versorgen. Dese beesjens sijn seer lang stapende, en neerstigh in hun voorraet te besorgen: want sy sijn insonderheyt schrander, door een naturelijcke drift en neerstigheyt, soo in spijse op verscheyde wijsen te vergaderen, als voornamelijck hier in, dat sy slaven oft dienstbare beesjens gebruycken. Want sy dwingen degene, die traegh onder hen sijn, op de rugh te gaen leggen, en laden dan een bundel van groen kruyt op hun buyck, 't welck dit beesjen met sijn poten, oft om eygentlijck te spreken, met sijn handen vast houd; want sy gebruycken hun pooten gelijck de meerkatten de haere. D'andere trecken dan dit beesjen, dus nederleggende, by de staert tot in hun hol; in voegen dat de gene, die luy sijn, aen d'anderen als tot een treckstede verstrecken.

Ick heb dickwils dese beesjens dus sien wercken, en, vermaeck in dit schouspel hebbende, somtijts geheele dagen daer mede deurgebracht, ja ick heb hen oock tot in hun hol doen nagraven, om te sien wat sy daer deden. Ick vond daer ('t welck aenmerckens-waerdigh was) seer groote kuylen, in kleyne holen, gelijck vertrecken verdeelt, van de welcke sy sommige tot spijs-kamers, andere tot slaepkamers, en andere tot hun begraefplaetsen gebruyckten; want sy begraven hun dooden byna op een selfde wijse, als de menschen. Acht oft tien maken een huysgesin, en woonen by malkander, van de welcke yder sijn beonder vertreck heeft; in voegen dat sy in de wijse van te leven en te wandelen, soo in 't heymelijck, als in 't openbaer, geensins voor de republijck der byen en mieren behoeven te wijcken. Dese beesjens sijn alle van de beyde geslachten, dat is, soo wel mannetjes als wijfjes. Indien men hen in de Meymaent vangt, soo konnen sy lichtelijck tam gemaekt worden. Op de marckt gelden sy deurgaens niet meer dan omtrent anderhalve stuyver. Ick had veel van dese beesjes in huys. Sy sijn vermaeckelijck, gelijck de simmen en meerkatten, en nuttigen omtrent een selfde spijse, als de menschen. Ick had byna vergeten te seggen, dat dit beesjen seer loos is: want sy komen noyt uyt hun holen, dan na dat sy een bespieder vooruyt gesonden hebben, die sy op eenige hooghte setten, op dat het daer rontom sou konnen sien; en als het bemerckt dat 'er eenigh gevaer voor sijn medegesellen is, soo gaet het op sijn achterste beenen staen, en piept, om d'andere te vermanen dat sy sich met de vlucht sullen verschuylen, en dit volght de leste in hun schuylhoecken, daer sy sich soo lang in houden, tot dat de menschen voorby gegaen sijn, en 't gevaer verdwenen is. De rivier Sula is niet meer dan ses mijlen van Supoy, en daer is ten hooghsten niet meer dan twintigh mijlen van de Borysthenes, tot aen de grensen van Moskovien. Dit beesjen, van 't welck ick gesproken heb, wordt nergens anders, dan tusschen dese rivieren gevonden. 'tis hier ongemackelijck te paert, oft met de wagen te rijden, dewijl overal veel kuylen en holen sijn, daer de paerden veeltijdts invallen, en in gevaer sijn van de beenen te breken, 't welck my, te paert rijdende, dickwils gebeurt is. De landtheden vangen hen in Meymaent, en in Iunius, op dese wijse: sy gieten, met eenige vaten, water in dese holen, en setten een sack oft net aen de mont van de selve. Dit beest, het water ontvluchtende, valt in dese netten, die voor de holen gespannen sijn. Hoewel sy jong gevangen en getemt worden, soo vergeten sy echter niet hun seden, noch trecken hun natuer niet uyt. Want indien men hen niet wel gebonden houdt, soo verbergen sy sich in de holen, om hun slaep van ses maenden te slapen; 't welck sy met de vledermuysen en wilde katten gemeen hebben. De gene, die in mijn huys getemt waren, verberghden sich dickwils twee weken lang, en wierden, als men hen neerstighlijck socht, in een kuyl, en gantsch wilt en onhandelbaer gevonden.

In dese gewesten vindt men oock seker slagh van schiltpadden, met blaeuwe voeten, die schadelijck om t'eten sijn.

Ick heb oock in dese landen, naer de watervallen en lantstreeck van de Borysthenes, seker wilt beest gevonden, de geyt niet ongelijck, maer echter seer dun van hair, en daer by soo sacht als sijde, als het nieu hair gekregen heeft, het welck jarelijcks gebeurt; andersins is het hair wat harder, en van kastanie-verwe, geheel anders dan dat van de geyt. Dit wilt heeft twee hoornen, die wit en helder sijn, en wordt van de Russen gemeenelijck Sunaky geheeten. Het is seer sacht en teer van beenen en voeten, heeft