B O R Y S T H E N E S
geen gebeente in de neus, en gaet al achterwaerts, als het in de weyde lijn voedsel neemt. Ick heb van dit vleesch gegeten; en 't is soo goet van smaeck, als het vleesch van een wilde geyt. Des selfs hoornen sijn wit en helder, gelijck ick geseght heb, en blincken, dewelcke ick, als iets dat vremt is, bewaere.
Men vindt in dese gewesten oock harten, dassen, wilde geyten, die in ordening gaen; gelijck oock wilde swijnen, die schrickelijck groot sijn, en oock wilde paerden, die by troppen van vijftigh oft sestigh by malkander gaen weyden. Dese paerden hebben ons somtijts schrick aengejaeght, vermits wy, hen van verre siende, meenden dat het Tartarische paerden waren. Zy sijn gantsch onnut tot d'arbeyt, hoewel sy jong gevangen worden; doch sy sijn alleenlijck dienstigh tot spijse: want hun vleesch wordt van sommige leckerder geacht dan kalfsvleesch, maer niet desgelijcks by my; vermits het een quade reuck had, en al te soet was. Doch by de Russen, die de peper soo veel, als de Franschen d'erreten, gebruycken, heeft dit paerdevleesch, dus kruydigh toegemaeckt, d'al te groote soetigheyt verloren, en wordt by hen smaeckelijcker om t'eten gemaeckt. Wat d'oude wilde paerden aengaet, dewijl sy niet getemt konnen worden, soo verstrecken sy alleenelijck tot spijs, welcker vleesch in de vleesch-hal omtrent even dier verkocht wordt, als ossevleesch, oft schapenvleesch. Dese paerden sijn oock swack, en bedorven van voeten; want sy lijden groot ongemack door het hoorn aen hun voeten, dat niet ter rechter tijt besnoeyt wordt; en dieshalven sijn sy onbequaem om te loopen. Men moet dan Godts klaerblijckelijcke voorsienigheyt eeren, die dit beest tot de menschelijcke dienst en spijse heeft geschickt, en hierom swack van voeten gemaeckt, op dat het den mensch, die 't vervolght, niet ontloopen soude.
Aen 't selfde gewest van de Borysthenes wort een wilde vogel gevonden, aen welcks krop een blaesje hangt, daer in hy, als in een sack, de visschen, die hy voor die tijdt over heeft, inschiet, om hen daer na, als 't de noot vereyscht, te verslinden, lck heb diergelijcke vogelen oock in Indien gesien. Men vind hier een seer groote menighte van kranen, gelijck oock van wilde stieren en buffels, en van andere groote wilde beesten, maer voornamelijck op de grensen van Moskovien. Oock sijn hier mede witte hasen, en wilde katten. In dese gewesten, doch een weynigh zuydewaerts, en naer Walachien, vind men schapen, langer van wol, met een steert, die wel korter, maer oock breeder, en dicker is, en soodanigh, dat sy de gestalte van een driehoeck vertoont. Dese steert is soo groot en vleesch-achtigh, dat sy gemeenelijck tien ponden weeght. Sy is deurgaens ses duymen breet, en een weynigh langer, en, soo groot als sy is, vol van smakelijck vet. Men siet hier oock, doch by d'adel, paerden en honden van verscheyde koleur, die hair gelijck een panter oft luypert hebben, en aengenaem om t'aenschouwen sijn. Sy spannen hen oock voor de wagen, om hun pracht te toonen.
Dese gewesten hebben een eenigh ongemack, dat is, dat 'er in geheel Ukraine geen sout is, 't welck uyt Pokucia, een Poolsch landtschap, aen Sevenbergen palende, tachtigh, ja hondert mijlen verre, derwaerts gebracht wordt. In dit Pokucia sijn byna alle putten en bronnen sout, welcker water, als het behoorelijck gekoockt is, in wit sout verandert, van 't welck kleyne koeckjes, oft brootjes gemaeckt worden, die een duym dick, en twee duymen lang sijn; en sy verkoopen drie hondert van dusdanige koeckjes voor een stuyver. Dit sout is aengenaem van smaeck, en niet soo scherp, als 't onse. De Russen maeken noch ander sout van else-boomen, oft van eycke-boomen, oft van der selfder asch, het welck, by broot gedaen, een aengename smaeck heeft, en van de Cosacken gemeenelijck Kolomey genoemt wordt. Omtrent Krakou, de hooftstadt van Polen, is seer treffelijck sout, dat als uyt de mijnen gedolven wordt. Ukraine heeft noch een ander gebreck, te weten van water, dat ten meestendeel dick en drabbigh is, en lelijcke stanck uytgeeft, om dat het niet alleenelijck seer traegh in sijn loop is, maer oock overvloet van visch heeft; 't welck, gelijck ick acht, dickwils d'oorsaeck van de sieckte is, die sy Koltun noemen, en het hair te samen wart. In dese landen sijn noch ontallijcke andere aenmerckens-waerdige dingen, soo wel die de seden en 't leven der inwoonders aengaen, als in d'andere wonderlijcke en voortreffelijcke dingen; en ick oordeel dat, soo iemant daer op het breetste wilde af spreken, hy geheele boecken soude moeten beschrijven. Doch ick hope dat de gunstige Leser het gene, dat ick hier af geschreven heb, terwijl ick met andere besigheden belemmert ben, in 't goede sal nemen, en gelegentheyt verwachten om meer dusdanige dingen in 't licht te brengen.
Dese beschrijving van de Borysthenes is byna geheel getrocken uyt het verhael van Willem le Vasseur, Heer van Beauplan, in 't Frans beschreven.