TAURICA CHERSONESUS
trent dat geweste, geel schijnt te zijn. De overblijfselen en ruinen betoonen noch hoe prachtigh, rijck, en cierlijck, dese Griecksche colonie eertijdts geweest is.
Iamboli ofte Balachaium, is een stadt met een kasteel. Mancopia oft Mangutum (gelijck het van de Turcken genoemt wordt) is een slot met een stadt; Cercum is oock een slot met een stadt. Cremum van de Tartaren Crim geheeten, is een stadt en slot, met een oude en hooge muur. Sy is in grootheyt en heerlijckheydt, by de andere steden van Taurica Chersoneso Mediterranea niet te vergelijcken: mogelijck is 't die, welcke Ptolemæus Taphros, en Plinius Taficae noemt.
In 't uyterste deel deses lands is Tanais, gelegen aen den uytgang van de riviere Tanais, en wordt van de Russen Azac geheeten: een vermaerde koopstadt, daer veel kooplieden uyt verscheyden gewesten komen; door dien yder geoorloft is daer te koopen en verkoopen. In dit landt zijn vele groote rivieren, komende meest uyt de bergen loopen, onder welcke Borysthenes, gemeenlijck Nieper genaemt, de principaelste is, diep, en snel; nemende sijnen loop van het noorden in den inham ofte stroom Careinitum, en verliest sich by Oczacovia in Pontus Euxinus. De andere rivieren zijn Don, Ariel, en Samara.
Bosphorus Cimmerius, tot welcken sich dese Chersonesus streckt, is die engte der zee welcke Europa van Asien separeert, door welcke strate Palus Mæotica in Pontum Euxinum loopt: en heeft desen naem van de Cimmeriis, die het koudtste deel daer van bewoonen; oft van de stadt Cimerio, na het getuygenisse van Volaterranus.
Mæotis Palus is by den uytgang des strooms Phafidis, ontfangende den Tanaim, en wordt van de Scythen, de moeder van Ponto geheeten, gelijck Dionysius getuyght, om datter soo groote menighte waters van daer in de Pontus loopt, 't welck uyt verscheyden gewesten komt.
Pontus Euxinus (welcks bovenste water soet is, en 't onderste sout) wierde eerst Arenus ('t welck soo veel te seggen is, als onbewoont) genoemt, of, na Sophocli meening. Apoxenus, om dat daer noyt schepen aenquamen, of om dat de Barbarische Scythen de vreemdelingen die daer quamen, doodden. Den naem Pontus heeft dese zee bekomen, als zijnde bynae een tweede Oceanus; want toen ter tijdt meende men dat die dese zee overvoeren, iets merckelijcks verricht hadden; hebben hem deswegen, als Strabo verhaelt, door uytnementheydt Pontum, 't welck een zee te seggen is, genoemt.
In dit Kleyn Tartarien zijn vreeslijcke en rouwe bergen, insonderheydt, die den Chersonesus midden door kloven. Daer zijn noch eenige andere groote en vermaert; op de hooghste van welcke een groot meyr is.
De politie en justitie der Tartaren wordt in de steden en vlecken bedient van de Cham, en de andere Sultanen, na de Mahometische wet: in de dorpen zijn altijdt Cadiz of Richters en Schouten, die de particuliere injurien verhooren en recht daer over spreecken; de hals- of criminele saecken, als moordt, diefstal, oock de geschillen van onroerende goederen, komen tot kennisse van den Cham, en sijne Raden, waer in sy geen procureurs van noode hebben; want sy altijdt verhoort worden, en verkrijgen daer oock korte expeditie.
De sonen worden van hare jeught in de Arabische talen onderwesen, en de dochters niet by hare ouders, maer by hare naeste verwanten opgetrocken; als de sonen wat tot haer jaren komen, begeven sy haer in dienst van den Cham ofte Sultanen; en als de dochters volwassen en houwbaer zijn, wordense de voornaemste Tartaren, en Turcken ten houwelijck gegeven. In des Princen hof voeren de Edele en principaelste Heeren sonderling geen uytwendige pracht, maer dragen sich eerlijck en cierlijck na haeren staet.
De Tartars houden hare wetten in groote waerde; sy eeren en aenbidden hare Vorsten als goden: de Richters worden, na de Mahometaensche wet, voor heylige, oprechte en redelijcke persoonen gehouden; sy onthouden haer van alle twist en tweedracht, calumnien, vyandtschap, haet, schande, en van alle overdaet in kost en kleederen. In 't Princen hof, noch oock onder haer, dragen sy geen geweer, uytgesondert de vreemdelingen, ofte de reysende man, welcke sy alle beleeftheydt betoonen, en gastvry houden. Der rijcken spijs is broodt en vleesch, en haren drank gesoden wijn en meede: de arme gebruycken in de plaets van broot, gestooten hierse met melck en water vermengt, 't welck sy Caffa noemen, en eten kaes; haren dranck is paerden melck. De kameelen, paerden en ossen, die niet meer bequaem sijn tot den arbeyt, dooden en eten sy. Schapen vleesch nuttigen sy oock veel. Daer zijn weynigh ambachts- en veel minder kooplieden; want alle de ambachts- en kooplieden, zijn Christen slaven ofte Turcken. Armeniers, Ioden. Czircassen. Petigorenses. Phylistinen ofte Cyngani, welcke aldaer seer veracht worden.
E Y N D E.