B O R Y S T H E N E S
handen voor hun Heer te wercken, en een gedeelte van alderhande vruchten, naer de grootte van 't landt, dat sy besitten, aen hun te geven; daer by kapoenen, hoenders, eyeren, en kieckens, te weten, op de feesten van Paesschen, Pinxsteren, en Christus geboorte: sy worden ook gedwongen om hun wagens te leenen, tot hout voor hun meesters, ten gebruyck van de koken, te voeren: en sy sijn, tegen recht en billijckheyt, tot ontallijcke andere diensten verbonden; behalven het gereet gelt, ende tienden der hamelen, der varckens, van de honigh, en van d'andere vruchten; en yder derde jaer de derde os, en het derde schaep. Eyndelijck, dese elendigen sijn gehouden aen hun meesters te geven al 't gene dat hun lust; in voegen dat het geen wonder is, dat sy, onder soo swaeren last gedruckt, in bitteren haet tegen hun meesters ontsteecken sijn.
Maer dit schijnt noch seer weynigh, in vergelijcking van de onbepaelde macht, die aen den Poolschen Adel over 't leven en de doot van hun ondersaten, naer hun believen, toegestaen is: in voegen dat, soo iemant deser ellendigen een geemelijck en wreet meester gekregen heeft, hy in erger staet is, dan een slaef, tot de galey verwesen: soo streng een dienstbaerheyt dwingt dese ongeluckigen ten meestendeel, die moeds genoegh hebben, de vlucht te kiesen, en sich naer Zaporoüy, oft naer de bosschen van de Borysthenes, de vertreckplaetsen der Cosacken tusschen de rivier, te begeven; en na dat sy daer eenige jaren overgebracht, en een zeetocht op d'Euxinische zee gedaen hebben, worden sy in de Cosackische krijghsordening aengenomen; en in deser voegen sijn de Zaporovische krijghsbenden seer groot geworden, gelijck de hedendaeghsche beroerten opentlijck getuygen. Want dese Zaporovianen, het Quartiaensche heir der Polen, met de beyde Velt-oversten, verdelght hebbende, sijn, door d'oproer der Russen, geheel Ruslant deur te streng van hun Heeren gehandelt, tot een getal van twee hondert duysent strijdbare mannen opgeklommen; en, als sy in de strijt d'overhant op de Polen verkregen hadden, soo hebben se hun palen tot over de hondert en twintigh mijlen in de langte, en sestigh in de breette uytgebreyd. Wy vergaten te seggen, ('t welck oock de seden der Cosacken aengaet,) dat sy in tijdt van vrede sich tot de jaght van wilde beesten, en tot de visschery begeven.
Maer om weêr te keeren, daer wy 't gelaten hebben, men gelooft dat, toen 't oude Kiow noch in bloeyende staet was, dese mont van de Hellespontus, die naer Constantinopelen strekt, noch niet aen d'inwoonders van Ruslandt bekent was; en men houd voor seker, (gelijck ick, op eygen ervarentheyt steunende, oock voor ontwijffelijck acht) dat de vlackten, aen den slincken oever van de Borysthenes gelegen, eertijdts met zeewater bedeckt sijn geweest; 't welck klarelijck blijckt, soo door d'anckers, als 't ander scheepstuygh, veel jaren daerna ontrent Lofficza gevonden, 't welk een stadt is, aen de rivier Sula gelegen; en alle, soo steden, als dorpen, in dat gewest van de Borysthenes geplaetst, gelijcken nieuwe wooningen, en schijnen nauwelijcks eenige hondert jaren out te sijn. Ick, door een gerechtige nieusgierigheyt bewogen, heb gepooght de geschiede saecken der Russen t'ondersoecken, om daer uyt eenigh licht in d'oude geschiedenissen te bekomen; maer mijn arbeyt was vergeefs: want ick, een van hun geleertsten ondervragende, kreegh tot antwoort, dat door de gedurige oorlogen van hun voorouders met hare gebueren, alle hun geschriften verdelght waren; maer dat hy echter by ware overlevering van hant tot hant uyt sijn voorouders had verstaen, dat alle dese landen, de welcke beneden Kiow van de Borysthenes bespoelt worden, eertijts van de zee ingeswolgen waren, gelijck wy oock hier voor geseght hebben; en dat dit voor drie duysent jaren was geschied. Hy voeghd 'er by, dat, toen omtrent negen hondert jaren geleden, d'oude stadt Kiow geheel verdelght was, sonder dat 'er iets overbleef, dan de twee kercken, die wy hier voor breeder beschreven hebben.
Sy seggen dit oock niet sonder reden: want alle de puynhoopen der oude kasteelen en burgten, tusschen de Borysthenes en Moscovien gelegen, sijn op hooge en uytsteeckende bergen gebouwt, sonder dat men een sal vinden, in de vlackte staende. Hier uyt spruyt dit vermoeden, dat alle vlacke landen eertijts onder 't water bedolven hebben geweest. Dit wordt bevestight door de menighte van munt, in een der geseyde kuylen gevonden, 't welck, van koper gemaeckt sijnde, dus geteeckent was, sonder dat

ick weet welck beelt het vertoont. Maer dit durf ick versekeren, dat alle dese landen, aen de slincke sijde van de Borysthenes, tot aen Moscovien uytgestreckt, laeger en sandiger sijn, dan degene die daer tegen over leggen, uytgesondert het landt aen de noortsijde van de rivier Sula, en de steden Worsko en Psczol; gelijck men beter uyt de landtkaert van dese plaetsen kan sien.
't Is oock aenmerckens-waerdigh, dat alle de rivieren van dit gewest soo langsamelijck afloopen, dat sy schijnen te twijffelen naer welcke sijde yder sich keeren sal, hoewel in tegendeel, de gemeene kolck van alle dese rivieren, namentlijck de Pontische zee, met soo groote geswintheyt voortgedreven wordt, dat sy, somtijts door d'afschutselen van de Hellespontus deurgebroocken, sich in de Middellantsche zee stort. En indien men dit neerstighlijck overweeght, soo sal men seggen, dat alle dese vlackten eertijts een zee hebben geweest.
Omtrent een mijl boven Kiow, aen de slincke sijde van de Borysthenes, wordt dese rivier vergroot van de beeck Dziesna, die, als sy de gebuerige stadt Mostho voorby vloeyt, wel hon-