Pagina:Dominee, pastoor of rabbi.pdf/17

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
14
dominee, pastoor of rabbi?

HOOFDSTUK VI.

 Over al die dingen is zóó veel te zeggen en te schrijven, dat het moeite kost er mee uit te scheiden. Toch moet dit nu, daar ik eerst gaarne met u onderzoeken wilde, wat er waars is in de bewering der geloovers, dat de godsdienst de menschen zoo gelukkig maakt.
 Voor hem die onpartijdig rondkijkt, moet het vaststaan, dat in zeer vele gevallen de godsdienst werkelijk troost verschaft en het lijden met meer geduld en berusting doet dragen. Menige doode wordt blijmoedig nagestaard, in het vaste geloof dat men hem of haar weldra zal terugzien in den hemel; meer dan één sterfbed levert het bewijs, dat echte vroomheid en godsvrucht den dood veel ontneemt van ’t verschrikkelijke dat hem aankleeft.
 Hierover kan geen verschil van meening bestaan. Die deze feiten loochent, brengt daarmede alleen zijne onkunde aan den dag. Voor mij althans is het ontwijfelbaar, dat de godsdienst dikwijls menschen troost heeft gebracht, en dit nog doet.
 Wij behooren echter de vraag te stellen of het geluk dat de godsdienst verschaft, kan opwegen tegen het ongeluk en het lijden waarvan hij de oorzaak is, en naargelang deze vraag met ja of neen moet worden beantwoord, zal dan blijken of hij het menschdom als zoodanig werkelijk gelukkiger maakt. Als een medereiziger in spoortrein of diligence ons eene sigaar aanbiedt maar tevens van de gelegenheid gebruik maakt om ons horloge te ontfutselen, hebben we niet veel reden hem dankbaar te zijn. En evenmin kunnen wij dankbaar zijn voor den godsdienst, wanneer blijken mocht, dat hij ons wel is waar korte oogenblikken van geluk verschaft, maar daarentegen ons geheele bestaan verbittert, en maatschappij, staat en familiekring voor ons bederft.
 ’t Is immers mogelijk, dat het met den godsdienst gaat als met de jenever. Ook deze verzacht dikwijls het lijden, en stemt tot vroolijkheid. Jongens, zoo’n borrel kan een mensch zoo veranderen, en hem moed in ’t lijf geven. Daar is niets, zegt de Engelsche dichter Byron, dat iemand bij een schipbreuk of ander gevaar zoo kalmeert als godsdienst en rum, en men ziet dan ook bij zoo’n gelegenheid de helft van de bemanning bidden, en de andere helft bezig het rumvaatje te ledigen.
 Toch zal niemand, behalve wellicht de tappers en slijters, durven volhouden, dat jenever zoo’n bizonder gunstigen invloed heeft op het volksgeluk. Hij verzacht het lijden en maakt er ongevoelig voor, bedwelmt ons, stemt ons vroolijk en zelfs uitgelaten, doet ons zingen dat we »nog nooit zoo’n lol gehad” hebben en brengt ons per slot van rekening, mits in voldoende mate gebruikt, langzaam en zeker naar den kelder. De uren van pret veroorzaken dagen en weken van narigheid.
 Te oordeelen naar alles, wat we van de gevolgen der goddienerij zagen en lazen, vrees ik dat het oordeel over haar niets gunstiger kan zijn dan over den jenever. Ook de godsdienst geeft emmers vol smart en lijden tegen glaasjes vol geluk en troost. De geheele wereldgeschiedenis