188
geringe Japannees heeft zoo weinig noodig om te leven, en het is hem ingeschapen om niet meer te werken dan noodig is, om zich de weinige en daarbij goedkoope levensbehoeften te verschaffen. Om de hulpbronnen van een land te vermeerderen, moeten de behoeften van de bewoners toenemen; daartoe zijn werkkrachten en kapitaal noodig. De stoffelijke welvaart van de groote massa der Japanneezen en hunne intellectueele ontwikkeling zijn gering. Van waar wil het Japansche gouvernement werkkracht en kapitaal nu anders verkrijgen dan van den vreemdeling? Doch wanneer de natie niet tevens tot welvaart en ontwikkeling komt, zal deze hulp op den duur den Staat verarmen en tot een staatsbankroet leiden. De invoer overtrof voor vier jaar den uitvoer met 30 millioen yen; sedert is de verhouding gunstiger geworden, doch bedroeg de invoer in 1874 nog 13 mill. yen meer dan de uitvoer. Het goud en zilver stroomt dan ook het land uit; in de zes eerste maanden van 1875 zijn bijna 9½ millioen yen aan gouden en zilveren munten uitgevoerd, slechts 100.000 yen ingevoerd; het geld wordt dus zeer schaarsch in Japan, in welk gebrek men voorziet door papierengeld, waaraan de Japannees sedert onheuglijke tijden gewoon is, doch waarmee hij in het verkeer met den vreemdeling bedrogen uitkomt; de prachtige munt te Osaka, die onvoltooid gebleven is, hoewel 1 mill. y. aan den bouw besteed zijn, is ingericht voor eene fabriek van papieren geld! Uit gebrek aan specie verdwijnt de eene bankinrichting na de andere.
Sedert korten tijd schijnt het Japansche gouvernement tot het inzicht te komen, dat de ingeslagene weg niet de ware is. Aan het volksonderwijs wordt nu veel zorg besteed. De leverancier uit den vreemde maakt meer en meer plaats voor den onderwijzer uit den vreemde. Het is zekerlijk een uitstekend, ja onontbeerlijk middel om eindelijk het beoogde doel te bereiken. Doch het eene doen en het andere niet nalaten. Ook de bronnen van welvaart, wel aanwezig doch verstopt, openen en ruimer doen vloeien, vooral door het middel waardoor ontginning steeds wordt voorafgegaan, n.l. door communicatiewegen, want, — en dit is voor den toestand van het oude Japan zoo juist kenmerkende als een land van rust en isolement, — de wegen zijn in het binnenland in een hoogst primitieven toestand, veelal slechts voetpaden; hierdoor geene mogelijkheid tot afvoer van producten, welke afvoer in het oude Japan trouwens ook niet noodig was. Indien het vooruitstrevende gouvernement van het hedendaagsche Japan begonnen was met zijne voornaamste zorg te wijden aan binnenlandsche communicatiewegen, dan had het wijzer gehandeld, dan door inproductieve en fabuleus dure spoorweglijntjes te laten leggen, om van andere zaken maar te zwijgen.
Daarom, Japan verkeert in eene moeilijke periode. Moge het gouvernement,