189
door schade reeds geleerd, inzien, waarin het, bij al den goeden wil, gedwaald heeft; moge het nimmer vergeten, dat volksontwikkeling met volkswelvaart hand aan hand moet gaan en slechts langzaam tot stand kan komen; waarin dus niet met jaren doch met generaties gerekend moet worden; moge de Japansche regeering daartoe de noodige kracht en stabiliteit bezitten, want ze zal nog menigen schok van binnen en van buiten hebben te verduren, voor dat de Japansche natie zich als gelijke kan doen gelden bij de beschaafde volkeren van Europa en Amerika.
Den 8 Augustus, 's morgens ten 6 uur, verlieten we Nagasaki. Buiten de baai was het frisch en tegen den avond werden de zeilen bijgezet; 7 à 8 mijls vaart, met opgebankte vuren. Vaarwel Japan! na een verblijf van zes weken aan uwe stranden! Ze hebben niet de eer mij te bevallen; althans niet, wanneer de Foesi-Yama bruin is.
10 Aug. In drie dagen maakten we, grootendeels stoomende, den overtocht van uit de schoone baai van Nagasaki, langs de Zadeleilanden, naar den mond van den grootsten stroom van Azie, de Yang-tze-Kiang, of blauwe rivier; we ankerden hierin de nabijheid van het vuurschip; van het vasteland was niets te zien, in de verte zagen we nog de toppen der Zadeleilanden. In den voormiddag van dezen dag, in volle zee, hadden we eene sterke verkleuring van het water waargenomen, over eene groote uitgestrektheid, veroorzaakt door celaardige lichaampjes, die op en nabij de oppervlakte drijven; hiernaar wordt de zee tusschen Japan en China de Gele zee genoemd. Nog mijlen ver in zee, van af de beide mondingen van de Yang-tze-Kiang, heeft het water eene vuil-grauwe kleur en is brak.