Naar inhoud springen

Pagina:Eene reis om de wereld (Hellema).djvu/33

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

21

en fijne wijnen beladen tafel anders wel verdiende. Na het diner spoedden we ons naar het dek, ik naar mijn avondverblijf; er kwam gelukkig eene flinke bries, die de warmte in het schip wat temperde en het schip een tijd lang met eene elfmijls vaart deed vooruit stevenen.

15 Dec. Al weder op den middag geen zon, nu al drie dagen aaneen, hetgeen bij het naderen van land zeer ongewenscht is. Tegen den avond lagen we met marszeilen in top om de Z.W., 8 mijls vaart. De warmte neemt af.

16 Dec. Veel regen, 7 à 8 mijls vaart. Vochtig, doch minder warm in 't schip.

17 Dec. In den achtermiddag stilte, waarom de vuren worden aangemaakt; we stoomen nu met eene 7 à 8 mijls vaart op kaap Frio aan, waarvan we ten 2 uur nog ruim 22 mijl verwijderd zijn; rekenen dus in de hondewacht het vuur van Frio in 't zicht te loopen. We ondervinden het groote voordeel van stoom.

18 Dec. Ten 5 uur 's morgens wordt kaap Frio verkend, doch worden we weldra in mist gehuld, die zachtkens en behoedzaam voortstoomen raadzaam maakt.

 

Nog hield in den voormiddag een dikke mist de hooge kust van Brazilië voor ons verborgen, toen we, voorzichtig koersende en onder stoom, deze zeer nabij waren gekomen. Tegelijkertijd met den waarschuwenden kreet "een schip vooruit" doemt een gevaarte uit de mist op, onder het wederkeerig geven van signalen met de stoomfluit, en verdwijnt even snel, als een spook, achterwaarts. Eene groote mailboot was ons op eene halve kabellengte voorbijgegaan. Hoe lichtelijk hadden we in de diepte kunnen verdwijnen! Welk een ontzettend gevaar heeft ons één oogenblik bedreigd!

 

Even als een tooneelvoorhangsel, dat wordt omhoog getrokken, zoo plotseling trekt nu voor onze oogen de mist op en doet zich een majestueus schouwspel voor, dat zelfs den voor verrassingen het minst vatbaren uit ons midden met verbazing boeit, en ook hij hem eene rilling van ontroering teweegbrengt. Wat zien thans onze oogen, sedert eene maand alleen aan lucht en water gewend? Dáár ligt hij, die kolos, die vermaarde reus, met de voeten Noordwaarts, ruggelings op den wereldbol, als eene haast ondenkbaar groote statue op haren piëdestal. Boven hem hangt de opgetrokken nevel, die weldra weder daalt en het verheven schouwspel tijdelijk weder voor onzen starenden blik verbergt. Doch de landverkenning is met de vereischte zekerheid bewerkstelligd en met alle behoedzaamheid stoomt de Curaçao den trechtervormigen ingang tot de binnenzee, de prachtige baai van