Naar inhoud springen

Pagina:Eene reis om de wereld (Hellema).djvu/71

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd
 

VIII. REIS DOOR DE STRAAT VAN MAGELHAENS.

52°23' —52°42' Z. Br. en 68° tot 74° W. L.

23 Januari 1875—1 Februari 1875.

 

De straat is 80 mijl lang; om welken afstand af te leggen we gedurende 60 uur stoomden en op 4 plaatsen gedurende 7 dagen ten anker kwamen.

Den 28sten Januari bereikten we den oostelijken ingang van dit, in zoo menig opzicht even beroemd als berucht, even gunstig als gevaarlijk, even aangenaam als lastig vaarwater. De uit het zuidoosten opstekende stormwind joeg ons letterlijk de straat in en deed ons eene schuilplaats zoeken achter Dungenes. Ik zegende dit ingaan in de straat van Magelhaens, omdat hierdoor de vaart om kaap Hoorn werd ontweken; eene vaart, die, in westelijke richting ondernomen door een schip, dat buiten staat is om op te werken noch om vooruit te stoomen tegen hevigen wind bij hooggaande zeeën, voor de opvarenden allerlei bezwaren zou hebben opgeleverd en hunne gezondheid voor het vervolg van de lange reis ongetwijfeld zou hebben benadeeld.

De bocht van Dungenes wordt gevormd door het westwaarts zich uitstrekkende, gelijkmatig 200 à 400 voet hooge land van Patagonië, dat vrij steil afloopt en omzoomd is door eene smalle strook laag land, die zich oostwaarts tot een kleinen landtong (Dungenes) verlengt, welke landtong ons beschermt. Op het einde van dezen ziet men een vlaggestok, waarschijnlijk in 1869 door het Eng. oorlogsstoomschip Nassau geplaatst. Wij liggen hier achter 2 ankers en des noods achter de ankers opstoomende, de beide rustankers gereed om te vallen, genoegzaam beschut tegen den hevigen storm uit het Z.O.

Terwijl de stormwind op korten afstand van ons de golven opzwiept, wat we kunnen zien, en daar buiten de hooge golfgevaarten tegen de onherbergzame kusten doet breken, liggen wij zacht te wiegelen en hooren