Naar inhoud springen

Pagina:Eene reis om de wereld (Hellema).djvu/74

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

62

omtrent den aard der Indianen, dat ze zijn een schoon, zachtaardig, krachtig en moedig ras.

Bougainville zegt: "Deze lieden waren van eene fraaie gestalte; onder degenen welke wij gezien hebben, was niemand korter dan 5 voet 5 à 6 duim, noch langer dan 5 voet 10 duim; doch het scheepsvolk van de Etoile had er verscheidenen van 6 voet gezien. Hetgeen zij reusachtigs hebben, is de ontzaglijke breedte van schouders, de grootte van het hoofd en de dikte der ledematen. Zij zijn sterk en welgevoed; hunne zenuwen zijn stijf gespannen en hun vleesch is vast en gespierd; zij zijn de menschen die, aan de natuur en volsappige voedsels overgelaten, den volkomen groei, waartoe zij bekwaam zijn, verkregen hebben; hun gelaat is noch stuursch, noch onaangenaam en dat van verscheidenen zelfs fraai; hun aangezicht is rond en een weinig plat; levendige oogen, uitnemend witte breede tanden, lange zwarte haren, om het voorhoofd opgebonden. De huidskleur trekt naar koperkleur. Niettegenstaande de gestrengheid der luchtstreek zijn zij van af de middel tot boven steeds naakt. Zij bezigen gordels van guanaco- of sourillo-vellen en laarzen van de huid van paarde- of pumapooten; ze riepen onophoudelijk "chaöuä"" Met deze getuigenis komen de beschrijvingen overeen, die King, Fitz-Roy en Darwin in 1833 en Musters in 1878 van hen gaven.

Er zijn wellicht nimmer grootere onwaarheden door sommige reisbeschrijvingen verspreid, dan omtrent de bewoners van de Zuidpunt van Zuid-Amerika. Reeds hun naam is onjuist. Deze moet zijn Tehuelches en niet Patagoniërs. Patagon beteekent groote voet en is afgeleid van hunne voetstappen, omdat ze in dubbele laarzen loopen. De tweede onjuistheid is hunne lengte; deze is niet zoo fabuleus groot. In 1520 vermeldde Pegafetta, dat de kleinste bewoner van het zuidelijkste gedeelte van Zuid-Amerika langer was dan de langste Castiliaan. Drake in 1578 dat ze niet langer waren dan sommige Engelschen; Krijvet in 1591 dat ze 15 à 16 span (?) hoog zijn; van Noort in 1598 dat de inboorlingen eene groote lengte hadden. Schouten in 1615 maakt melding van geraamten, 10 à 11 voet lang. Narborough in 1669 dat mr. Wood langer was dan één der inboorlingen. In 1750 gewaagt Falkner van een Kaïque, die 7 voet en eenige duimen lang was en in 1761 Byron van een opperhoofd van 7 voet, terwijl weinigen korter waren. Wallis nam in 1766 de maat van de langsten; een was 6 voet 7 duim, meerderen 6 voet 5 duim; de gemiddelde lengte was 5 voet 11 duim. Viedma vond in 1783 de gemiddelde lengte 6 voet. d'Orbigny trof in 1829 niemand aan, die 5 voet 11 duim te boven ging; de gemiddelde lengte was 5 voet 4 duim. Fitz-Roy en Darwin constateerden in 1833 de gemiddelde lengte grooter dan bij eenig volk, zijnde 6 voet, enkelen waren langer, weinigen korter.