Art. 18. § 1. Een gemeente of een samenwerkingsverband van omliggende gemeenten als bedoeld in artikel 17, § 2, 2°, kan een aanvraag indienen om een eerste erfgoedconvenant met de Vlaamse regering te sluiten.
§ 2. De aanvraag omvat een 'intentienota erfgoedconvenant' met:
1° een omgevingsanalyse die aansluit bij het gemeentelijke cultuurbeleidsplan van de betrokken gemeente(n) waarin de erfgoedactoren, het aanwezige cultureel erfgoed en de culturele en maatschappelijke verantwoordelijkheid ten opzichte van het cultureel erfgoed in de omgeving beschreven worden;
2° de visie op en de doelstellingen van het cultureel-erfgoedbeleid in de betrokken gemeente(n) en, in voorkomend geval, de meerwaarde voor het samenwerkingsverband;
3° de situering en planning van de werking van een erfgoedcel, die binnen het kader van het erfgoedconvenant de reeds aanwezige expertise coördineert en via ontsluiting van cultureel erfgoed een ruim maatschappelijk draagvlak voor het cultureel erfgoed realiseert;
4° de effecten die men wil bereiken en de middelen die hiervoor worden ingezet.
§ 3. De aanvraag wordt getoetst aan de volgende criteria:
1° het belang van het aanwezige cultureel erfgoed en de erfgoedactoren in de betrokken gemeente(n);
2° de visie op en de doelstellingen van een geïntegreerd cultureel-erfgoedbeleid;
3° de regionale spreiding voor Vlaanderen van de erfgoedconvenants;
4° de inbreng van middelen door de gemeente of het samenwerkingsverband van omliggende gemeenten.
§ 4. De Vlaamse regering beslist elk jaar, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44, op basis van een gemotiveerde rangorde, met welke gemeente of samenwerkingsverband van omliggende gemeenten een erfgoedconvenant wordt gesloten.
De Vlaamse regering kan elk jaar beslissen het aantal erfgoedconvenants te vermeerderen met drie.
§ 5. Een eerste erfgoedconvenant wordt gesloten, na onderhandeling, voor een periode van maximaal zes jaar, die loopt van 1 januari van het jaar volgend op de beslissing tot en met 31 december van het tweede jaar van een volgende gemeentelijke beleidsperiode.
§ 6. Bij de aanvang van elke nieuwe convenantperiode van zes jaar blijft het aantal erfgoedconvenants van het voorgaande jaar behouden, eventueel vermeerderd met drie erfgoedconvenants, overeenkomstig § 4, tweede lid.
Art. 19. § 1. De gemeente of het samenwerkingsverband van omliggende gemeenten, waarmee een erfgoedconvenant werd gesloten als bedoeld in artikel 18, § 4, dient tijdens het eerste jaar van het eerste erfgoedconvenant een beleidsplan in waarin de visie, de doelstellingen en de uitvoering van het erfgoedconvenant worden geformuleerd.
Dit beleidsplan, het gemeentelijke cultuurbeleidsplan en, in voorkomend geval, de beleidsplannen van musea en archiefinstellingen, moeten op elkaar afgestemd zijn.
Het beleidsplan slaat op een periode van maximaal zes jaar die uiterlijk loopt tot en met 31 december van het tweede jaar van een volgende gemeentelijke beleidsperiode.
§ 2. Dit beleidsplan wordt halverwege geactualiseerd, als het een periode van minstens drie jaar betreft.
§ 3. De Vlaamse regering keurt het beleidsplan of het geactualiseerde beleidsplan goed, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44.
Art. 20. § 1. De Vlaamse regering kan, na een eerste erfgoedconvenant, opeenvolgende erfgoedconvenants sluiten met een gemeente of een samenwerkingsverband van omliggende gemeenten met rechtspersoonlijkheid, voor telkens een periode van zes jaar, na onderhandeling, op basis van een nieuw beleidsplan.
Het beleidsplan slaat op een periode van zes jaar die loopt van 1 januari van het derde jaar van een gemeentelijke beleidsperiode tot en met 31 december van het tweede jaar van een volgende gemeentelijke beleidsperiode.
Dit beleidsplan, het gemeentelijke cultuurbeleidsplan en, in voorkomend geval, de beleidsplannen van musea en archiefinstellingen, moeten op elkaar afgestemd zijn.
§ 2. Dit beleidsplan wordt geactualiseerd halverwege de periode van het beleidsplan.
§ 3. De Vlaamse regering keurt het beleidsplan of het geactualiseerde beleidsplan goed, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44.
Art. 21. § 1. De Vlaamse regering voorziet voor de uitvoering van het erfgoedconvenant in een werkingssubsidie die de financiële middelen voor de ondersteuning van de werking van de erfgoedcel, bedoeld in artikel 18, § 2, 3°, bevat en: 1° 100.000 euro per jaar bedraagt voor een gemeente met meer dan 20 000 en hoogstens 35 000 inwoners of voor een samenwerkingsverband van omliggende gemeenten met rechtspersoonlijkheid, waarvan het totale inwonersaantal meer dan 20 000 en hoogstens 35 000 bedraagt;
2° ten minste 200.000 euro per jaar bedraagt voor een gemeente met meer dan 35 000 en hoogstens 100 000 inwoners of voor een samenwerkingsverband van omliggende gemeenten met rechtspersoonlijkheid, waarvan het totale inwonersaantal meer dan 35 000 en hoogstens 100 000 bedraagt;
3° ten minste 300.000 euro per jaar bedraagt voor een gemeente met meer dan 100 000 inwoners of voor een samenwerkingsverband van omliggende gemeenten met rechtspersoonlijkheid, waarvan het totale inwonersaantal meer dan 100 000 bedraagt.
§ 2. De werkingssubsidie wordt toegekend voor de periode waarop het beleidsplan betrekking heeft en kan tussentijds aangepast worden op basis van het goedgekeurd geactualiseerd beleidsplan als bedoeld in artikel 19, § 3, en artikel 20, § 3.
Art. 22. § 1. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels voor de aanvraag en de procedure voor het sluiten van een erfgoedconvenant en de evaluatie van het convenant.
§ 2. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak van het beleidsplan en de procedure tot goedkeuring van het beleidsplan.
§ 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de criteria, de aanvraag, de procedure met inbegrip van de verhaal- en beroepsprocedures, de toekenning, het toezicht en de evaluatie van de werkingssubsidies.