Art. 45. Het lidmaatschap van een adviescommissie of een beoordelingscommissie is onverenigbaar met een mandaat in het Europees Parlement, de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, met het ambt van minister, staatssecretaris en hun kabinetsleden, met het ambt van personeelslid in dienst van de Vlaamse Gemeenschap of instellingen van de Vlaamse overheid die in het kader van zijn functie betrokken is bij de uitvoering van dit decreet, met het ambt van personeelslid van het Vlaams Parlement, en van personeelsleden en leden van de raad van bestuur van steunpunten en belangenbehartigers uit de betreffende sector. Zij kunnen wel op uitnodiging van het betreffende orgaan met raadgevende stem deelnemen aan haar vergaderingen.
Art. 46. § 1. Elk jaar leggen de beoordelingscommissies en de adviescommissie een verslag met de evaluatie van hun werking voor aan de Vlaamse regering.
§ 2. De Vlaamse regering bepaalt de algemene procedure voor de beoordeling van dossiers.
§ 3. De Vlaamse regering voorziet, binnen de perken van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde kredieten, in een bedrag waarmee de werkzaamheden van de adviescommissie en de beoordelingscommissies kunnen worden vergoed.
§ 4. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels voor de samenstelling, de aanstelling en het ontslag van de leden, alsook de vergoeding.
TITEL IV. — Algemene bepalingen over subsidiëring
Art. 47. De in dit decreet voorziene werkings- en projectsubsidies worden toegekend binnen de perken van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde kredieten.
Art. 48. § 1. De in dit decreet voorziene werkings- en projectsubsidies worden in de vorm van voorschotten beschikbaar gesteld. De Vlaamse regering bepaalt hoe de voorschotten berekend en uitbetaald kunnen worden.
§ 2. Onverminderd artikel 41 en artikel 50 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, worden voorschotten ten belope van maximum 90 procent van de toegekende subsidies, vrijgesteld van het voorafgaand visum van het Rekenhof.
Art. 49. De subsidiebedragen, vermeld in artikel 11, § 1, artikel 12, § 5, artikel 13, § 5, artikel 21, § 1, artikel 24, § 1, artikel 26, § 1, 1°, en artikel 42, § 1, worden jaarlijks gekoppeld aan het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen.
Art. 50. § 1. In afwijking van artikel 55, § 2, van het decreet van 7 mei 2004 houdende regeling van de begrotingen, de boekhouding, de controle inzake subsidies en de controle door het Rekenhof, kan een publiekrechtelijke rechtspersoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon die werkingssubsidies ontvangt als bedoeld in artikel 11, § 1, artikel 12, § 5, artikel 13, § 5, artikel 21, § 1, artikel 24, § 1, en artikel 42, § 1, gedurende de beleidsperiode onbeperkt een reserve aanleggen met eigen inkomsten en subsidies. Die reserve moet voldoen aan de geldende boekhoudkundige regels en moet aangewend worden voor de realisatie van het erfgoedconvenant, bedoeld in artikel 17 en artikel 23, en het beleidsplan, bedoeld in artikel 10, artikel 12, artikel 13 en artikel 41.
§ 2. Als de publiekrechtelijke rechtspersoon of de privaatrechtelijke rechtspersoon op het einde van de beleidsperiode nog beschikt over een reserve, aangelegd overeenkomstig § 1, kan die reserve overgedragen worden naar een volgende beleidsperiode op voorwaarde dat deze reserve niet meer bedraagt dan tien percent van de gemiddelde jaarlijkse personeels- en werkingskosten, berekend over de voorbije beleidsperiode. De personeels- en werkingskosten omvatten alle kosten die betrekking hebben op de uitvoering en de realisatie van het erfgoedconvenant, bedoeld in artikel 17 en artikel 23, en het beleidsplan, bedoeld in artikel 10, artikel 12, artikel 13 en artikel 41, en die in de voorbije beleidsperiode tot stand zijn gekomen. Bij de berekening van de overdraagbare reserve wordt geen rekening gehouden met éénmalige uitzonderlijke inkomsten. De Vlaamse regering bepaalt de éénmalige uitzonderlijke inkomsten die in aanmerking komen.
De Vlaamse regering kan een afwijking toestaan van het in het eerste lid bepaalde percentage op voorwaarde dat de publiekrechtelijke rechtspersoon of de privaatrechtelijke rechtspersoon daartoe een gemotiveerd bestedingsplan voorlegt.
De overgedragen reserve, bedoeld in het eerste lid, moet aangewend worden voor de realisatie van het erfgoedconvenant, bedoeld in artikel 17 en artikel 23, en het beleidsplan, bedoeld in artikel 10, artikel 12, artikel 13 en artikel 41.
§ 3. Als bij de afrekening van het laatste werkingsjaar van de beleidsperiode, bedoeld in § 1, de resterende reserve, bedoeld in § 2, eerste lid, meer bedraagt dan hetgeen bepaald werd in § 2, dan moet het teveel ingehouden worden van het nog uit te keren saldo van de werkingssubsidie, toegekend aan de publiekrechtelijke rechtspersoon of de privaatrechtelijke rechtspersoon, en moet het eventueel daarna nog resterende bedrag door de publiekrechtelijke rechtspersoon of de privaatrechtelijke rechtspersoon, teruggestort worden aan de Vlaamse Gemeenschap tot een maximum van de door de Vlaamse Gemeenschap toegekende werkingssubsidies in het laatste jaar van de beleidsperiode.
Als aan een publiekrechtelijke rechtspersoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, bedoeld in § 1, na afloop van de beleidsperiode waarop het erfgoedconvenant, bedoeld in artikel 17 en artikel 23, en het beleidsplan, bedoeld in artikel 10, artikel 12, artikel 13 en artikel 41, betrekking heeft, geen werkingssubsidies meer worden verleend, dan is de publiekrechtelijke rechtspersoon of de privaatrechtelijke rechtspersoon verplicht een bestedingsplan voor de aangelegde reserve, aangelegd overeenkomstig § 1, in te dienen bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst. De reserve moet in voorkomend geval prioritair aangewend worden voor het voldoen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen.