Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/13

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


Schoon wij meermaalen in de gelegenheid zijn geweest, te betreuren, dat de Nederlandsche dichters over het geheel zoo weinig hebben gedaan voor het kerkgezang, hebben wij nogtans het genoegen gehad, eenige schoone gezangen te vinden in de werken van Lodensteijn, Vollenhoven, Sluiter, Schutte, van Alphen en anderen, die nog in leven zijn, welke, door de noodige veranderingen in den vorm, voor het kerkgebruik zijn gereed gemaakt, en nu niet weinig strekken tot aanprijzing van dezen bundel. Voor het overige hebben sommige leden van onze Vergadering, of oorspronkelijke stukken, of navolgingen en vertalingen geleverd, 't welk ook door andere dichters en dichteressen geschied is, die wij openlijk daarvoor onzen dank betuigen: wij hebben van dezen arbeid zoodanig gebruik gemaakt, als wij meenden met de stichting onzer gemeenten meest overeentekomen, zonder dat wij eenigzins aan andere stukken, die niet door ons gebruikt zijn, den roem, dien ze als dichtstukken verdienen, willen onttrekken.

Wij bieden aan onze Geloofsgenoten dit Evangelisch Gezangboek, ten hunnen dienste vervaardigd, met zoo veel te grooter gerustheid aan, als zij zullen zien, dat wij geene andere gezangen hebben geplaatst, dan die met de belijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, uitgedrukt in hare formulieren, overeenkomen. Trouwens, gelijk wij voor ons in deze belijdenis van harten instemmen, zoo beseffen wij tevens, hoe weinig wij haar belang zouden behartigd hebben, indien wij de leerstukken, die onze belijdenis kenmerken, en die een' zoo vermogenden invloed hebben op de heiliging van ons hart, en op onzen troost in leven en in sterven, niet klaar en krachtig hadden willen voorstellen.

Ja, wij meenden met grond te mogen vertrouwen, dat onze liederen, aldus vervaardigd, onder Gods zegen van groot nut zouden kunnen wezen, om de zuiverheid der leer, midden in den stroom van velerlei gevaarlijke nieuwigheden, in onze gemeenten te bewaren; gelijk de oude en latere kerkgeschie-{{rh||* 4|de-