Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/58

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
32
 

XVII.

GODS VOORZIENIGHEID.

1.

Wie maar den goeden God laat zorgen,
 En op Hem hoopt in ’t bangst gevaar,
Is bij Hem veilig en geborgen,
 Dien redt Hij godlijk, wonderbaar:
 Wie op den hoogen God vertrouwt
 Heeft zeker op geen zand gebouwd.

2.

Wat baat ons al ’t zwaarmoedig vreezen?
 Wat baat ons ’t zuchten wee en ach!
Vergeefs zou al ons kermen wezen,
 Al kermden w’ ook den ganschen dag:
 De last des jammers, dien men draagt,
 Drukt maar te meer, hoe meer men klaagt.

3.

Men blijv’ eerbiedig God verbeiden,
 En zwijg’ den Heer ootmoedig stil;
Hij zal ons naar zijn’ raad geleiden,
 ’t Is goed en heilig, wat Hij wil;
 Vertrouw het aan zijn wijsheid vrij,
 Hij weet, wat elk het nuttigst zij.

4.

Zeg nimmer in uw droefenissen,
 „De man, dien ’t wel gaat, is Gods kind;
„lk moet gewis zijn liefde missen,
 „Want voorspoed volgt dien God bemint.”
 Hoe donker hier Gods weg ook schijn’,
 Hij toont eens, wie zijn kindren zijn.

5. ’t Is