Pagina:Evangelische gezangen om nevens het boek der psalmen bij den openbaren godsdienst in de Nederlandsche Hervormde gemeenten gebruikt te worden.djvu/59

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
33
GODS VOORZIENIGHEID.

5.

’t Is ligt voor God, en wie zal ’t wraken,
 Wie klagen over ongelijk.
Als Hij den rijken arm wil maken.
 Of ook den armen groot en rijk?
 Ligt niet in ’t geen ons treuren doet
 Voor ons de kiem van ’t heilzaamst goed?

6.

Treed vrolijk voort op ’s Heeren wegen,
 En neem uw’ pligt getrouw in acht;
’t Wordt eindlijk alles u ten zegen
 Wanneer gij biddend daarop wacht:
 Wie steeds geloovig op Hem ziet,
 Begeeft, verlaat Hij eeuwig niet.

XVIII.

GODS VOORZIENIGHEID.

1.

Wil, groote God! in onze lofgezangen
Den diepen dank van nietig stof ontvangen,
 ’t Welk Gij, zoo hoog, zoo groot in majesteit,
 Bekroont met heil en goedertierenheid.

2.

Uw alziend oog aanschouwt ons in genade,
Het slaat ons steeds alom naauwkeurig gade;
 Terwijl uw gunst, waar door al ’t schepsel leeft,
 Ons leven, vreed en vreugd, ja alles geeft.

3.

Voor onze voet baant Gij ons effen wegen,
Die Gij bestrooit met heil en milden zegen;
 Dus leidt Gij ons, wat eer! met uwe hand,
 Vol liefd’ en trouw, naar ’t hemelsch vaderland.

4. Nooit
E