Artikel 105
1. Bij de uitoefening van hun taak dragen de toezichthoudende ambtenaren een legitimatiebewijs bij zich.
2. Zij tonen hun legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds, tenzij het met het toezicht beoogde doel daardoor niet zou worden bereikt. In het laatste geval tonen zij hun legitimatiebewijs zodra dat redelijkerwijs mogelijk is.
3. Het legitimatiebewijs bevat in ieder geval een foto van de toezichthoudende ambtenaar en vermeldt diens naam en hoedanigheid.
Artikel 106
1. De toezichthoudende ambtenaren hebben, voorzover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is, toegang tot elke plaats met uitzondering van woningen. Zo nodig verschaffen zij zich toegang met behulp van de sterke arm.
2. Zij kunnen zich door anderen doen vergezellen, voorzover dit voor het doel van het betreden redelijkerwijs nodig is.
Artikel 107
De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd inlichtingen te verlangen, voorzover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
Artikel 108
1. De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd inzage te verlangen van zakelijke gegevens en bescheiden waarvan de inzage voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
2. Zij zijn bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.
3. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, zijn zij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs.
Artikel 109
1. De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen, voorzover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
2. Zij zijn bevoegd daartoe verpakkingen te openen.
3. Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden, zijn zij bevoegd de zaken voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs.
4. Desgevraagd worden genomen monsters teruggegeven, voorzover en zodra dat mogelijk is.
Artikel 110
1. De toezichthoudende ambtenaren zijn bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken met betrekking waartoe zij een toezichthoudende taak hebben, voorzover dat voor de vervulling van hun taak nodig is.
2. Zij zijn bevoegd vervoermiddelen waarmee naar hun redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe zij een toezichthoudende taak hebben, op hun lading te onderzoeken, voorzover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.
3. Zij zijn bevoegd met het oog op de uitoefening van deze bevoegdheden van de bestuurder te vorderen dat deze zijn vervoermiddel