Naar inhoud springen

Pagina:Flora en Faunawet, stb-1998-402.pdf/6

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

lid genoemde verboden niet ten aanzien van de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde dieren indien deze:

a. afkomstig zijn van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen instelling;

b. voorzover dat redelijkerwijs technisch mogelijk is onderhuids zijn voorzien van een elektrotechnische identificatie, en

c. geen onaanvaardbaar risico vormen voor de introductie van ziektes bij de inheemse fauna.

3. Een aanwijzing van een instelling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan slechts plaatsvinden indien:

a. de instelling bij zijn werkwijze met betrekking tot de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde dieren het voortbestaan van de in het wild levende diersoort waartoe zij behoren niet in gevaar brengt en op een acceptabele wijze het welzijn van de betrokken dieren in acht neemt;

b. de bevoegde instantie van het land waar de instelling is gevestigd, op schrift heeft verklaard dat de instelling in staat is tot het in gevangenschap fokken van de soort, en daartoe bevoegd is, en

c. de export vanuit de instelling slechts bestaat uit gefokte dieren.

4. Met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, gelden de in het eerste lid bedoelde verboden noch ten aanzien van planten of producten van planten, noch ten aanzien van dieren of eieren, nesten of producten van dieren behorende tot een beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde uitheemse diersoort, die is aangewezen om redenen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, indien kan worden aangetoond dat zij:

a. overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde in Nederland zijn gebracht of

b. overeenkomstig de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten zijn verworven voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel.

Paragraaf 4. Overige verbodsbepalingen

Artikel 14

1. Het is verboden dieren of eieren van dieren in de vrije natuur uit te zetten.

2. Het is verboden planten behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten in de vrije natuur te planten of uit te zaaien.

3. Het is verboden planten of dieren, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten, onder zich te hebben, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorradig of voorhanden te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden.

4. Krachtens het tweede en derde lid kunnen slechts worden aangewezen soorten die een gevaar kunnen opleveren voor het voortbestaan van beschermde inheemse dier- of plantensoorten of die aanmerkelijke verslechtering kunnen veroorzaken van omstandigheden die voor het voortbestaan van die soorten noodzakelijk zijn.

5. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het uitzetten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vissoorten, waarop de Visserijwet 1963 van toepassing is.

Artikel 15

1. Het is verboden bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen die geschikt en bestemd zijn voor het doden of vangen van dieren, onder zich te hebben, binnen of buiten het grondgebied van