personen en organen, bedoeld in artikel 21, tweede lid, door toezending van het besluit.
Artikel 24
1. In geval van dringende noodzaak kunnen gedeputeerde staten gelijktijdig bij het vaststellen van het ontwerp van een besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving of op een nadien gelegen tijdstip, de plaats waarop dat ontwerp betrekking heeft, aanwijzen als beschermde leefomgeving voor de bij dat besluit genoemde beschermde inheemse plantensoort of beschermde inheemse diersoort.
2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, vervalt zodra gedeputeerde staten op het ontwerp van een besluit beslissen doch in ieder geval na verloop van een jaar na de vaststelling van dat ontwerp.
3. Op de bekendmaking van een besluit als bedoeld in het eerste lid, is het bepaalde in artikel 23 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 25
1. Gedeputeerde staten kunnen de aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving geheel of gedeeltelijk intrekken. De percelen waarop de intrekking betrekking heeft, worden kadastraal omschreven. In geval van gedeeltelijke intrekking gaat het besluit vergezeld van een kaart waarop is aangegeven op welk gedeelte van de plaats de intrekking betrekking heeft.
2. Het bepaalde in de artikelen 21, 22 en 23 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een besluit als bedoeld in het eerste lid.
3. Een besluit houdende de aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving, vervalt met ingang van het tijdstip waarop die plaats deel uitmaakt van een onherroepelijk aangewezen beschermd natuurmonument of staatsnatuurmonument als bedoeld in de Natuurbeschermingswet.
Paragraaf 2. Gevolgen van de aanwijzing als beschermde leefomgeving
Artikel 26
1. Degene die het voornemen heeft één of meer van de in een besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving krachtens artikel 20 vermelde handelingen te verrichten of te doen verrichten, is verplicht van dat voornemen ten minste één maand, doch niet langer dan één jaar voor de dag van de voorgenomen uitvoering van die handeling of handelingen, kennis te geven aan gedeputeerde staten.
2. Gedeputeerde staten kunnen voorschriften verbinden aan het verrichten of doen verrichten van de handelingen, bedoeld in het eerste lid, welke voorschriften er mede toe kunnen strekken dat door die handelingen aangerichte schade aan de beschermde leefomgeving op een door hen te bepalen wijze wordt hersteld.
3. Het is verboden de in een besluit tot aanwijzing van een plaats als beschermde leefomgeving krachtens artikel 20 vermelde handelingen te verrichten of te doen verrichten.
4. Het verbod, bedoeld in het derde lid, geldt niet indien:
a. een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is gedaan;
b. gedeputeerde staten niet uiterlijk op de dag voorafgaand aan die waarop de uitvoering van de voorgenomen handeling of handelingen zal plaatsvinden, schriftelijk hebben meegedeeld bezwaar te hebben tegen de voorgenomen handeling of handelingen en
c. wordt gehandeld overeenkomstig de door gedeputeerde staten krachtens het tweede lid gestelde voorschriften.
5. In afwijking van het bepaalde in artikel 65 is het verrichten of doen