Pagina:Frank van der Goes Herinneringen Nieuwe Gids (1931).pdf/24

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


zelfde voetganger zijn nooddruft aan den voet van het Parthenon legde—kon hij het helpen, dat hij juist op dat oogenblik zijn sterfelijkheid moest toonen? —die straks, verder getrokken, in keur van bewoordingen den smaak en rijkdom des gastheers prees, van wiens gestreelde ijdelheid hij zich een allerminzaamst onthaal beloofde?

Dat voor deze laatste vraag, die aan Huet de bedoeling toeschrijft van Honigh te hebben geprezen om bij de redaktie waartoe hij behoorde in de gunst te komen, dat voor die vraag eenige reden bestond, kan thans niet worden volgehouden. Voor letterkundige bijdragen van Huet was na zijn terugkeer uit Indië in 1876 geen der Nederlandsche tijdschriften gesloten en bovendien zou hij, indien hij zich vrienden had willen maken met zijn kritieken, zeker niet de voornaamste persoonlijkheid van den Spectator-kring hebben gegriefd.

Beter laat zich hooren, wat de jeugdige medewerker van Vosmaer tegen de al te loffelijke vermelding van de minder dan middelmatige gedichten weet aan te voeren. Tegelijk bespreekt hij een anderen verzenbundel van dezelfde soort en ongeveer gelijke waarde. Aan deze twee voorbeelden verduidelijkt de kritikus het onderscheid tusschen de „potsierlijke of prozaische zeggingswijze", waarin zoowel de eene als de andere poëet zijn oppervlakkige aandoeningen berijmt en de zuivere uitdrukkingen van een echt en diep gevoel, dat toch

23