Pagina:Frank van der Goes Herinneringen Nieuwe Gids (1931).pdf/51

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


Verdorden zijt gij, zonder dat gij ooit
Hadt kunnen bloeien, schoon 't uw eigen wil waar.

Ik zal u allen, rakkers op de bil maar
Zoo even meppen, knaapjes, die daar gooit
Naar 't Hoog Gebouw dat door Mijn Zuivren Wil daar
Staat, Monument van 't Hollandsch volk vermooid

Door Hem, die is ons aller Heer en Koning,
Hem, onbegrijplijk, troonend in 't Onstoflijk,
Ondenkbre Zijn, waarvoor geen naam noch woord is,–

Dien ik belijd uit dees mijns diepst zijn Woning,
God, dien ik weet, dat Die mij altijd schoort, is,
Tot waar al zielen schittren, onverdoflijk.


Niet licht, intusschen, zal men uit dit klinkdicht—evenmin als uit het andere stuk: „inleiding tot de tweede reeks der Nieuwe-Gids-jaargangen”—de ware toedracht kunnen opmaken van een ommekeer welke binnen enkele maanden na het verschijnen van gezegde „inleiding” de uitgave zou doen staken.

Over een verandering in de redaktie hadden de leden reeds langer dan een jaar geleden met elkaar gesproken en zelfs reeds een afspraak gemaakt. De bedoeling was dat Herman Gorter, toen nog alleen als dichter bekend, de litterarische rubriek zou helpen verzorgen die onder het langdurig zwijgen van Kloos geleden had. De redakteur-sekretaris van

50