Pagina:Frederik van Eeden-Johannes Viator(1895).djvu/53

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


vvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvvv

 

V.

 

De donkere romp gaat nu recht naar het ruime, het ontzachlijk groote, het water, wijd liggend in zilverlicht.

Ringsom is al water, veel golven in donkeren ijver gaan het land in. Maar dit is het niet, dit is donker, besloten in de donkere armen van het onbewegelijke land. Maar daar ginder, daar ligt het, daar wacht het, daar woelt het blinkende, het schrikkelijk blinkende, eeuwig en ver bewegende, breed, schrikwekkend breed,—God het heeft geen einde!

Nu komt de wind het zeggen. Die is strak, hard en kil. Zoo zal het daar alles zijn in het ontzachlijk rijk: sterk, koel en onverbiddelijk.

Wat ga ik doen!—waar neem ik mijn weg! Dit is een heer van vijanden, een ontelbaar, overmachtig heer. Zie ze flikkeren en toornig opbruischen,—zij zullen mij niet dulden,—zij zijn allen koel-wreed, dom-wreed, sterk en overmachtig.