| Ao. 1831.
GRONINGER Dingsdag |
No. 93.
COURANT den 22 November. |
Op Maandag, den 28 November 1831, van 9—1 en van 2—8 uren, zitting op het Stadshuis tot ontvang der Bijdragen voor de vrijwillig uitgetrokkene Schutters, over de maand December 1831 en vroegere nog onbetaald geblevene maanden.
| Namens de Kommissie: G. W. H. van IMHOFF, Secretaris. |
De AGENT van ’s RIJKS KASSIER te Groningen verwittigt mits deze de Houders der Blijken no. 29 tot en met 51, wegens ingeleverde Recepissen, gesproten uit de eerste vrijwillige Geldleening, dat de Obligatiën, tegen teruggave der Blijken, ten zijnen Kantore kunnen worden afgehaald, des voormiddags van 9 tot 1 uur.
Groningen
RENGERS.
den 21 November 1831.
De KAMER vam KOOPHANDEL en FABRIJKEN, te Groningen, brengt ter kennis van de belanghebbenden, dat, naar aanleiding eener dispositie van den Heer Directeur-Generaal voor de Marine, d. d. 10 dezer, no. 70, Zijn Hoog Edel Gestr. onder de besmette Plaatsen heeft gerangschikt Sunderland, gelegen in het Graafschap Durham, en dat mitsdien de van daar komende en in de Havens en Zeegaten van dit Rijk binnenvallende Schepen aan eene quarantaine van veertig dagen zullen worden onderworpen, — en onder de verdachte Plaatsen zijn opgenomen alle Plaatsen, welke gelegen zijn tusschen de Rivier de Tijne en de Rivier de Tees, in den omtrek van Sunderland; alsmede bij eene dispositie van den 12 dezer, no. 60, de Plaatsen, gelegen aan deze zijde van het Holsteinsche Kanaal en van de Rivier de Eyder, zoodat voor de Schepen van dáár komende een quarantaine van tien dagen bepaald is.
| Groningen den 21 November 1831. |
De Kamer van Koophandel en Fabrijken voornd.: P. DAMSTÉ, Vice-President. U. G. SCHILTHUIS. Jz., Fungd. Secretaris. |
DUITSCHLAND en AANGRENZENDE RIJKEN.
Weenen den 5 November.
In de twee laatste dagen zijn alhier 16 personen aan de cholera overleden, een klein getal, in aanmerking van de volkrijkheid der hoofdstad.
— Volgens schrijven van den heer Bauberger, zijn in Hongarije, toen de cholera aldaar het sterkste woedde, op het buitengoed van den graaf van Zachy meer dan honderd faisanten gestorven; de ziekte en sterfte hielden op, toen men gestootten brechwurzel (braakwortel) onder het voeder deed. — In andere streken van Hongarije kwam de cholera onder de hoenders, eenden, zwijnen en ossen; van de laatsten stierven in Radszegh tot den 2 October 104, in Also-Szeli 12 en in Kossuth 5 stuks. (Uit Brunswijk schrijft men, van den 7 dezer: „Het is opmerkenswaardig, dat in onze streken vele hoenders sterven en de trekvogels wegblijven. Geschiedt zulks ten gevolge van de vergiftiging der lucht, zoo zoude op het laatst de belagchelijke voorspellingsleer der Ouden uit het eten der hoenders en uit de vogelvlugt wel eenigen grond kunnen hebben.”)
Munchen den 7 November.
In de zitting van de Kamer der Afgevaardigden van Beijeren, te Munchen, van den 5 November jl., is de beraadslaging begonnen over de voorstellen betreffende den burgerlijken toestand der Israelieten. Al de redenaars, zonder uitzondering, verklaarden zich voor de opheffing der uitsluitings-wetten, bestaande tegen de Joden; even als al de overige burgers van den Staat, droegen zij dezelfde lasten, vervulden zij dezelfde pligten; derhalve behoorde ook op hen, niet minder dan op anderen, het in de staatsregeling vervatte grondbegrip van „gelijkheid van allen voor de wet” toegepast te moeten worden. De Mozaïsche wetten bevatteden eene goede, reine zedeleer, en de meineed of eedverbreking werd door dezelve met groote, strenge straffen bedreigd. De Joden, toen zij nog als een zelfstandig volk bestonden, waren vlijtig, arbeidzaam en dapper geweest. De heldhaftige, volhardende verdediging van Jeruzalem was met die van Saragossa te vergelijken. Dat de Joden zich meer algemeen bij uitsluiting aan koophandel overgaven, werd daardoor veroorzaakt, dat zij geen eigendom verwerven mogten, en derhalve hunne have en goed bestendig bij zich disponibel droegen. Men moest hen veroorloven, zich, onder de Christenen verspreid, met der woon te vestigen en zich grondeigendom aan te schaffen. Een volk, dat sedert 1800 jaren zonder vaste woonplaats rondzwierf, allerwege, behalve in Frankrijk en in Nederland, onder de grootste verdrukking leefde, had wel noodzakelijk, in een zedelijk opzigt, moeten terug zinken. Om dezelfde reden, immers, leefden in het Oosten de Christenen onder dezelfde verachting, als in het Westen de Joden. In Nederland, alwaar zij alle staatsburgerlijke regten genoten en uitoefenden, zag men onwederlegbaar de schoonste voorbeelden van het oorspronkelijk edel en verheven volkskarakter der Israelietische natie [1]. Hunne Godsvereering moest hen, in een verlicht en beschaafd land, niet langer tot een’ vloek gedijen. Immers ook in Frankrijk, waar zij op eene der menschheid meer waardige wijze behandeld werden, had de minister openlijk van hen het meest vereerende geiuigenis afgelegd, enz. — Na het sluiten der debatten, nam de Kamer het besluit, dat de concept-wet, tot de staatkundig-burgerlijke emancipatie der Joden, op eene grondwettige wijze aan Z. M. den Koning verzocht zou worden, om aan de stenden des rijks te worden voorgelegd.
- ↑ Hoe juist is hier de Munchensche Kamer in haar oordeel! getuigen slechts een paar hoofdtrekken: de Israelieten bij ons zijn met niet minder geestdrift, dan geheel de oud-Nederlandsche bevolking , tot verdediging van het Vaderland, behalve in de vervulling van hunnen pligt als leden der schutterij, ook in grooten getalle, buitendien, als vrijwilligers te wapen gesneld; — en wij schrijven dit als toevallig, doch met onwederlegbare zekerheid ter onzer kennis gekomen zijnde, — tegen het naderend, wintergetijde telt men onder onze gegoede Israelitische medeburgers, boven en behalve derzelver algemeen erkende liefdadigheid, onderscheidenen, die onder behoeftige huisgezinnen, om het even van welke godsdienstige gezindheid, jaarlijks, 1000 en meer mudden aardappelen, benevens brandstoffen, kleedingstukken, enz. uitdeelen. (Noot v. d. Redactie der N. Amst. Cour.)
Frankfort den 15 November.
Volgens berigten uit Berlijn, zal Z. M. de Koning van Pruissen aan alle zoodanige zijner onderdanen, die uit het groot-hertogdom Posen naar het koningrijk Polen gegaan zijn, om aan de staatsgebeurtenissen aldaar deel te nemen, eene volkomene amnestie toestaan.
De brieven uit Polen luiden zeer treurig. Er is bijna geen huisgezin, dat door den oorlog geene leden verloren heeft; de welvaart is verwoest, en het vertier begint slechts langzaam te herleven.
De reis van den Keizer van Rusland naar Moskau heeft, zegt men, ten oogmerk, om in deze oude hoofdstad des rijks de reeds door Keizer Alexander voorgenomene en voorbereide instellingen voor Rusland met de groote notabelen op nieuw in overweging te nemen. Men brengt daarmede ook het oponthoud van onderscheidene voorname Polen in verband, die onlangs aanschrijving hebben ontvangen, om zich derwaarts te begeven. Naar men zegt, zou men het ondoelmatig vinden, dat het veroverde en weder veroverde Polen in een staatkundig opzigt meer voorregten zou genieten, dan de oude bestanddeelen des Russischen rijks.
— Volgens een dagblad van Koningsbergen, zoude op den linker oever van de Niemen nog een troep Poolsche insurgenten, omtrent 560 man sterk, rondzwerven. Als de aanvoerder van die bende wordt zekere vorst Mirski genoemd, en men verhaalt, dat deze naar Pruissen heeft willen wijken, doch det zijne manschap hem, onder bedreiging van den dood, genoodzaakt heeft verder met haar mede te trekken.
Van den Rijn den 14 November.
Bijzondere brieven uit Berlijn, van den 10 dezer, melden, dat de tijding van het oproer in Bristol aldaar veel indruk gemaakt heeft, doch dat door een misverstand die indruk nog aanmerkelijk grooter was geworden, toen, ten gevolge eener onduidelijke uitspraak van den naam der stad, het gerucht zich verspreidde, dat de zaak in Brussel was voorgevallen.
In de kleine stad Havelsberg was een oproer uitgeborsten, ter zake van het begraven der lijken van cholera kranken. Bij die gelegenheid waren de woningen van twee geneesheeren en van eenen apotheker omvergehaald, en die personen zelven mishandeld.
In Berlijn, alwaar het overigens met de cholera steeds gunstig ging, was de lijf-arts van Z. M., dr. Wiebel, door de ziekte aangetast.
Berlijn den 14 November.
De cholera vermindert alhier zoodanig, dat de sterfte zich bij 5 a 6 personen daags bepaalt. Te Potsdam, Stettin, Koningsbergen en andere plaatsen in Pruissen is dit hetzelfde, als stervende aldaar slechts enkele personen daags.
— Uit Denemarken schrijft men, dat de troepen, zoo wel van de kordon-linie in het Lauenburgsche, als van het kordon bij Hamburg, achter de Oder zijn terug getrokken, vermits de handel daardoor gestremd wordt.
— In Gallicië, tot Oostenrijk behoorende, zijn sedert het uitbreken van de cholera 266,087 personen ziek geworden en 96,077 overleden.
— Uit Petersburg heeft men berigten tot den 5 dezer, doch van geen aanbebelang. De Keizerin was ook te Moskau aangekomen en met gejuich ontvangen. Hunne Majesteiten zouden eenigen tijd op het Kremlin vertoeven.
Van den 15den. Onze universiteit en met haar de geheele geleerde wereld heeft een groot verlies geleden door het overlijden van den hoogleeraar Georg Wilhelm Friedrich Hegel. Hij stierf gisteren aan eene beroerte in den ouderdom van 62 jaren. Zijn aandenken zal voortleven, zoo lang de Duitsche filosofie zal worden genoemd.
— Heden zijn slechts 4 personen aan de cholera gestorven. In het geheel zijn er nog 46 zieken onder geneeskundige behandeling. Het getal der overledenen in de laatste week bedraagt bijna de helft minder, dan dat der vorige week.
Hamburg den 15 November.
Men leest in eenige dagbladen, dat de Engelschen hunne aanspraak op het nieuwe eiland, dat in de Middellandsche Zee is ontstaan, hebben opgegeven, doch niet zonder reden, alzoo dat eiland waarschijnlijk weder door de zee zal verzwolgen worden. Prof. Hoffmann, uit Berlijn, die zich op Sicilië bevindt, heeft den 25 Sept. dat eiland voor de tweedemaal bezocht, en schrijft, dat het nergens op vasten lava-grond rust, maar bestaat uit asch en zand, met lapillo vermengd, welke door het geweld des Vulkaans uit den grond is opgeworpen, en het ontstaan des eilands veroorzaakt heeft. De Zee drong reeds overal door het zoogenaamde eiland heen en de golven begonnen het nieuwe land te verslinden. Groote stukken van het zwarte zand dreven weg en van de hoogte vielen geheele klompen af, welke zich in stof oplosten. De Vulkaan, waardoor het eiland is ontstaan, was stil en werkeloos. De schrijver meende, dat het eiland de stormen en vloeden van den naderenden winter niet zoude kunnen weêrstaan en spoedig verdwenen zou zijn.
— De sterfte aan de cholera is alhier 4 of 5 personen daags, zoodat die ziekte sterk aan her verminderen is, en ook geene groote bekommernis verwekt. In Altona was gedurende de laatste week geen enkele cholera-zieke geweest.
GROOT-BRITTANJE.
Londen den 16 November.
De berigten uit Sunderland, nopens de cholera, luiden steeds gunstig; in de laatste dagen heeft die ziekte zich bij slechts weinige personen geopenbaard. Het schijnt, dat over het geheel slechts weinige personen zijn aangetast en bezweken door die soort van braakloop, welke, uit hoofde van haren hevigen aard, door de geneeskundigen bij uitsluiting de Aziatische cholera genoemd wordt, en dit geeft aanleiding, dat sommigen beweren, dat men te onregt, althans zeer ligtvaardiglijk, het voor den handel zoo uiterst schadelijke berigt heeft verspreid, dat in Sunderland de cholera heerschte! — Hoe gunstig ook de ziekte zich in die haven moge voordoen, meldt men intusschen, dat ook in het nabij gelegene New-Castle een persoon aan de hevigste cholera is bezweken.
— Van Ierland heeft men ongunstige tijdingen; de bevrijder (O’Connell), die aanvankelijk bij zijne komst te Dublin zich nog aan de zijde van het ministerie had gehouden, was nu bezig met eene groote nationale unie op te rigien, die zich niet meer de enkele reform-bill, maar in de eerste plaats de afscheiding van Engeland ten doel moet stellen.
— Het eskader onder den schout-bij-nacht Warren ligt nog steeds in Duins; het heeft twee schepen naar Portsmouth, een naar Sunderland en een naar Helvoet gedetacheerd, dit laatste met depêches van den Britschen ambassadeur te ’s Hage; die gezant had aan admiraal Warren doen weten, dat hij niet weder met het eskader op de Hollandsche kust behoefde te verschijnen, vermits het gouvernement aldaar zeer wel met het doel der vloot bekend was. De loodsen bevonden zich echter nog aan boord.
De aangehoudene schepen van Don Pedro blijven, hoewel het gerucht van derzelver vrijlating rondgeloopen had, nog altijd met een embargo bezwaard; ook weet men niet, welken weg het gouvernement te dezen opzigte zal volgen.
De ministers zijn druk bezig met te raadplegen over de nieuw voor te dragen reform-bill; eerstdaags zal het parlement verder worden geprorogeerd, ten einde den 9 December ter afdoening van zaken bijeen te komen.
— De volle aandacht der liefhebbers van harddraverijen te New Market is thans op eene zeldzame weddingschap gevestigd. De heer Osbalderston, een grondeigenaar in Engeland, heeft, in eene renbaan van 6 mijlen, of bijna twee uren, eenen afstand van 80 mijlen in minder dan 9 uren afgereden. De onvermoeide rijder sprong, na vier mijlen op één paard te hebben afgelegd, op een ander paard en heeft op die wijze, achter elkander, veertig paarden afgereden, totdat hij zijne Herkules-taak, tot venvondering der aanschouwers, volbragt had. De heer Osbalderston, die, door zijne verwonderingswaardige vlugheid, zijne weddingschap van 1000 guinjes gewonnen heeft, is een man van 47 jaren; men heeft berekend, dat hij, in zijnen loop, meer den 25 mijlen per uur heeft afgelegd.
FRANKRIJK.
Parijs den 11 November.
Volgens de correspondentie van den Messager, moet Lissabon tegenwoordig aan eene hoogst akelige spanning ten prooi zijn. Don Miguel, den inval zijns broeders voorziende, moet met zijnen minister, den graaf van Baltos, het vast besluit gevormd hebben, om, zoo hij in den strijd te kort mogt schieten, eenen algemeenen moord onder de constitutioneel-gezinden te doen aanrigten, en Lissabon met al de verdere steden van het rijk in den brand te doen steken. De eenige hoop, welke nog overblijft, is, dat het hem aan de benoodigde magt, om dit opzet te volvoeren, zal ontbreken.
De Messager beweert voorts in zijne Spaansche berigten, dat de tegenwoordige moeijelijke omstandigheden van Portugal van grooten invloed zijn op het Spaansche hof, en dat men zonder dezelve groote verandering in het ministerie, en wering uit hetzelve van al degenen, die zich tegen het afschaffen der Salische wet verzet hebben gehad, gezien zou hebben. Zoo men zeide, zou het gouvernement berigt ontvangen hebben van het uitbersten der cholera op Gibraltar. De hooge gezondheidsjunta heeft hare zitting permanent verklaard tot het beramen van middelen, ter afwending van deze plaag.
— Onze bladen bevatten nogmaals eenen uitgewerkten brief van den heer Eynard, tot verdediging van het staatkundig gedrag van Graaf Capo d’Istrias. In een postscriptum achter dezen brief leest men het volgende: „Ik ontvang op het oogenblik eenen belangrijken brief van den 17 October uit Nauplia. Men schrijft mij: „Al de maatregelen, na het voorval door het gezag genomen, zijn hoogst verstandig geweest; ook heeft niet de minste wanorde plaats gehad; de droefheid is het heerschende gevoel. Het regtsgeding van den moordenaar is
