(Zie de Nieuwstijdingen enz., in het Bijvoegsel.)
INGEZONDEN STUKKEN.
Iets over het onderwijs voor aanstaande handelaren en industriëlen.
Elk, wien het griefde, zoo dikwijls hij, en niet zonder grond, hoorde beweren, dat uit Nederland de ondernemingszucht en energie geweken was, waardoor het zich vroeger tot een’ der magtigste Staten had verheven; ieder, die belang stelt in de eer en het welzijn van ons land, zal zeker met genoegen hebben opgemerkt, dat wij, al is het ook nog langzaam, uit onzen slaap ontwaken, en meer en meer trachten gebruik te maken van de middelen tot voorspoed, welke ook nu nog onder ons bereik liggen. Mogt iemand aan onzen vooruitgang in dit opzigt twijfelen, hij bedenke slechts, hoe gedurig, door ontginning, indijking en droogmaking, duizenden bunders gronds voor den landbouw worden gewonnen; hoe in de laatste jaren ettelijke fabrijken werden opgerigt, welke vroeger hier als geheel onbekend waren, en welker producten van buiten ’s lands moesten worden aangevoerd; hoe er krachtdadig gehandeld is en wordt, om ons land door spoorwegen, kanalen en telegrafen met andere landen in naauwere verbinding te brengen; hoe onze kooplieden in den laatsten tijd hunne ondernemingen weder hebben uitgestrekt tot oorden, waar in vele jaren geen Nederlandsch schip was gezien; hoe men er eindelijk al ernstiger aan denkt, van den rijkdom onzer overzeesche bezittingen meer partij te trekken. Waar zulke bewijzen zijn, kan er geen twijfel bestaan, of Nederland op het gebied van handel en nijverheid met andere Staten wil mededingen. Wij mogen ons over dit verschijnsel verheugen; meer echter nog zouden wij ons verblijden, als de goede uitslag ons beter verzekerd scheen. ’t Is ongetwijfeld een blijk van moed, dat wij den wedstrijd durven ondernemen; maar moed alleen is hier niet voldoende; ook de noodige krachten dienen aanwezig te zijn. En dit is juist het punt waarvoor wij vreezen.
Het zal er nu toch op aankomen, of onze handelaren en industrielen de krachten, dat is vooral de bekwaamheden zullen hebben, om met den vreemdeling, met gunstig gevolg, te concurreren. Zijn die bekwaamheden er niet, dan zullen de uitbreidingen onzer handels-operatiën en de ondernemingen der industrie veelal tot ons eigen nadeel uitvallen. Met het oog nu op de bekwaamheden der partijen, kunnen wij onmogelijk zonder vrees zijn. Immers, terwijl elders, in bijna alle Staten, zeer vele inrigtingen bestaan, waar de toekomstige handelaar en industriëel, reeds van zijne vroege jeugd af, eene opleiding ontvangt, die hem voor zijne aanstaande betrekking geschikt maakt, wordt er bij ons zeer weinig, bijna niets voor den burgerstand gedaan. Terwijl men dáár te regt oordeelt, dat het lot van den Staat grootendeels afhangt van de bekwaamheden en den toestand van die kern des volks; terwijl men dáár zich overtuigd houdt, dat de welvaart der natie met de ontwikkeling der nijvere standen gelijken tred houdt en onafscheidbaar daarmede verbonden is, wordt bij ons het voorbereidend onderwijs voor handel en nijverheid bijna geheel verwaarloosd. Die verwaarloozing is, meenen wij, volkomen duidelijk; zoodra men er slechts eenigzins de aandacht bij bepaalt. Zij wordt dan ook bevestigd door het verschijnsel, dat vele onzer bekwaamste, althans voorspoedigste industriëlen buitenlanders zijn, en dat ook menig handelshuis in ons land door vreemdelingen wordt bestuurd. Meer nog zal zij blijken, als men opzettelijk nagaat, welke inrigtingen er in ons land zouden moeten zijn, en welke er wezenlijk gevonden worden; wat wij hier wel wenschten te doen. Daar echter een dagbladartikel dergelijke uitvoerigheid niet veroorlooft, zullen wij dit alleen met het oog op de stad Groningen verrigten; en zullen wij ook dan nog de zaak slechts in hoofdtrekken kunnen behandelen.
Welke inrigting wij in deze stad voor den burgerstand noodig achten, zal zeker het best blijken, als wij aanduiden, hoe, naar onze meening, de theoretische opleiding van den handelaar of industriëel diende te zijn. Na het verlaten der lagere school, op zijn elfde of twaalfde jaar, zou de knaap moeten geplaatst worden op de inrigting, die hem voor zijne loopbaan voorbereidde. Hier zou hij onderrigt moeten ontvangen in de levende talen; grondig, maar tevens bepaald met het oog op het doel, waartoe zij hem later zouden dienen. Hij zou er dus bekwaam moeten worden om met gemak met onze naburen iv hunne taal te verkeeren en te corresponderen: dit laatste ook in den bij den handel gebruikelijken briefstijl. Van wiskunde zou de koopman genoeg moeten leeren, om alle berekeningen, die hem in ’t vervolg konden voorkomen, waardig en met oordeel uit te voeren. De wiskundige opleiding van den industriëel zou zich verder moeten uitstrekken, en hem vooral de noodige kennis moeten doen verkrijgen van de werktuigkunde. Door hem zou het machine- en handteekenen niet verwaarloosd mogen worden; het eerste mede ten einde naauwkeurig met de zamenstelling der werktuigen bekend te worden; het laatste vooral ook tot vorming van den smaak. Het onderwijs in natuur- en scheikunde zou geenszins achterwege mogen blijven. Men zou zich echter hierbij hoofdzakelijk moeten bezig houden met die deelen, welke vele en belangrijke toepassingen hebben in de industrie, ten einde de fabrikant hiermede zijn voordeel zou kunnen doen, en ook gebruik maken van de ontdekkingen, die op het gebied dezer wetenschappen mogten plaats vinden. Voor den handelaar zouden deze wetenschappen, in verband met warenkunde, evenmin overtollig zijn, daar zij vooral de middelen aan de hand geven, om de deugd van vele stoffen te beproeven, de vervalschingen te ontdekken, en de beste wijze van bewaring te bepalen.
De aardrijkskunde zou moeten geleerd worden vooral met betrekking tot de voortbrengselen, de behoeften en de middelen van communicatie; de geschiedenis voornamelijk die van lateren tijd, in verband met de ontwikkeling van handel en nijverheid. Eindelijk zou men nog moeten bekend gemaakt worden met de handelsusantiën, het boekhouden enz. Vijf of zes jaren, aan deze vakken besteed, zouden een’ grond leggen, waarop later met goeden uitslag door de praktijk kon worden voortgebouwd. Wij laten hierbij onbeslist, of er voor hen, die reeds de school verlaten hadden, nog niet de gelegenheid zou moeten bestaan, om in de beginselen der staathuishoudkunde onderwijs te ontvangen; en of er niet in eene enkele stad des rijks eene hoogere school voor handel en industrie zou mogen zijn, waar deze of gene groote koopman of fabrikant zijne opleiding zou kunnen voltooijen. Voor eene stad als Groningen zou eene inrigting, waar de bovengenoemde vakken onderwezen werden, voldoende en, naar onze overtuiging, hoogst heilzaam zijn. Men bedenke slechts, welk een onderscheid er zou wezen tusschen iemand, die tot zijn 16de of 17de jaar onderrigt als het bedoelde had ontvangen, en die daarna eenige jaren in de praktijk werkzaam was geweest, en iemand van gelijken ouderdom, die, zoo als nu veelal gebeurt, op 14jarigen leeftijd, na het leeren van eenig Fransch en Duitsch, de school verlaten heeft, om in den sleur van den handel of de nijverheid getrokken te worden, waar hij bovendien in de eerste jaren toch nog weinig kan uitvoeren, en daardoor gevaar loopt zich aan lediggang te gewennen.
Gaan wij nu tot de hier aanwezige inrigtingen voor handel of nijverheid over, dan zullen deze ons niet zeer lang bezig houden. Er bestaat hier eene inrigting, waar aankomende zee- en handwerkslieden zeer goed onderwijs ontvangen; welke daardoor zeer veel nut sticht; maar die, men zal het gereedelijk erkennen, geenszins geschikt is om onze handelaren en industriëlen uit den burgerstand de noodige kennis te doen verwerven; gelijk zij dan ook te dien einde weinig of niet bezocht wordt. Er is verder eene afdeeling van het gymnasium, waar moderne talen, ook met den briefstijl, wiskunde, aardrijkskunde (ook handelsgeographie) en geschiedenis grondig onderwezen worden, en welke veel nut zou kunnen stichten, wanneer — men er slechts gebruik van wilde maken. Of men de miskenning, die haar ten deel valt, aan hare naauwe verbinding met de afdeeling voor de oude talen moet toeschrijven, durven wij niet beslissen. Maar ook, al werd zij veel meer bezocht, dan nog zou zij volstrekt niet in de behoefte voorzien. Daartoe zou noodig wezen, dat het onderwijs op deze afdeeling, van dat op de andere geheel onafhankelijk en afgescheiden, zich over alle boven vermelde vakken uitstrekte; daartoe zou noodig zijn, dat deze afdeeling eene zelfstandige inrigting werd, alleen uit een financiëel oogpunt met de andere afdeeling verbonden, maar overigens volkomen vrij om haren eigen’ weg, geheel op de praktijk gerigt, te volgen.
Wat is dus nu het resultaat der vergelijking van het bestaande met hetgeen bestaan moest? Die vergelijking leert, dat er hier voor den handwerksman reeds veel gedaan wordt, maar dat er op verre na geene voldoende gelegenheid voor den toekomstigen handelaar of industriëel is, om een behoorlijk onderwijs te genieten; dat er bepaald eene inrigting diende gevormd te worden, welke de aanstaande kooplieden en industriëlen geschikt zou moeten maken om met vrucht tot de praktijk over te gaan; en waar het geheele onderwijs met een praktisch doel zou moeten gegeven worden, steeds met het oog op de toepassing op handel en nijverheid. Zonder er de geheele praktijk te leeren, zou men er die wetenschap moeten opdoen waaraan de praktijk behoefte heeft. De praktische strekking even wel zou alleen daarin bestaan, dat de leerling slechts met die vakken bekend werd, welke met zijne toekomstige loopbaan in verband staan; dat hij er alleen die bronnen zou leeren kennen, waaruit vele toepassingen voortvloeijen. Het onderwijs zelf zou altijd grondig, nimmer oppervlakkig moeten zijn. En dan vooral, er zouden geene voorlezingen moeten gehouden worden; het zou eene school moeten zijn, ongeveer zoo als die te Maastricht, de eenige van dien aard in ons land, welke tegenwoordig, vier jaren na hare oprigting, reeds 70 leerlingen telt, op eene bevolking, veel kleiner dan die van Groningen.
Zal men nu mogen hopen, dat zulk eene school hier spoedig tot stand komt? Wij vreezen, helaas, van neen. Wij gronden onze vrees geenszins op de uitgaaf van vijf-, zes- of zevenduizend gulden ’s jaars, voor haar onderhoud benoodigd, en die niet geheel gedekt zou kunnen worden door het schoolgeld, dat hier vooral laag zou moeten zijn, opdat zeer vele jongelingen, ook van minder vermogende ouders, de vruchten der inrigting konden genieten. Immers, wij durven niet vooronderstellen, dat zulk eene som een onoverkomelijke hinderpaal zou zijn voor eene stad, welke zooveel voor het onderwijs overheeft; waar, nog kort geleden, tonnen schats zijn besteed tot een nieuw gebouw voor het hooger onderwijs; waar ook voor het onderwijs in de oude talen, voor den zoogenaamden geleerden stand, vele opofferingen worden gedaan; waar zelfs voor het allerlaagste onderwijs, voor bewaarscholen, duizenden guldens zijn uitgegeven.
Maar ’t is veeleer, ja alleen, in de onverschilligheid van den burgerstand zelven, dat wij het grootste bezwaar zien. Zoo lang deze meent, dat zijne zonen geen grondige opleiding behoeven; zoolang deze niet ernstig eu krachtig er op aandringt, dat ook voor hem een voldoend onderwijs worde ingerigt; zoo lang zal hier de oprigting eener school voor handel en industrie wel een vrome wensch blijven. Maar ook, zoolang deze meening bij den burgerstand blijft heerschen, zullen onze handelaren en industriëlen bij den vreemdeling moeten achterstaan; zoolang zullen de buitenlanders onze landgenooten uit handel en fabrijken verdringen; zoolang zal ieder onbevooroordeelde van onzen wedstrijd met onze naburen in handel en industrie op den duur weinig goeds durven verwachten.
Groningen, Junij 1852.
X.
Nog slechts weinige jaren geleden, wat wist Groningen van de produkten der moderne Schilderkunst? De naam zelfs van onze eerste meesters was slechts aan weinigen bekend; en hun alleen, wie het gebeuren mogt de Tentoonstellingen in Holland of de ateliers der kunstenaars te bezoeken, hun alleen was het voorregt geschonken zich te mogen verheugen in het aanschouwen en bewonderen hunner werken.
En thans .... in onze eigene stad prijkt eene Tentoonstelling, waarop zich Groningen beroemen mag, en, voor de nietsbeduidende contributie van 25 cents, voor ieder toegankelijk. Van alle oorden des Rijks zonden de schilders, en onder dezen ook onze grootste meesters, hunne werken in. En wat nog onlangs ontbrak, namen die men bij de opening der Tentoonstelling te vergeefs zocht, ook deze zijn thans, door de ijverige en onvermoeide pogingen der directie, nog nagekomen en noodigen ons uit tot een herhaald bezoek.
Dank zij derhalve toegebragt aan de verdienstelijke directie van Pictura, alsmede aan de Commissie der Tentoonstelling, voor het edele kunstgenot, dat zij een ieder aanbiedt, die slechts gevoel heeft voor het schoone. Moge zij voor de vele moeite en werkzaamheden, hieraan verbonden, beloond worden door een talrijk bezoek en hierdoor de noodwendige onkosten vergoed zien. Nog slechts weinige dagen en de gelegenheid ter bezigtiging dezer schoone verzameling is voorbij. Moge vooral eene ruime, eene algemeene deelneming in de verloting, haar in staat stellen vele kostbare stukken aan te koopen en hierdoor medewerken tot hernieuwing dezer Tentoonstelling in volgende jaren; en mogt nog menigeen, wiens omstandigheden dit veroorloven (en er zijn er zoo vele onder ons!) worden opgewekt om, zoo voor eigen duurzaam genot, als tot bevordering van het schoone doel, door aankoop van een lievelingsstuk, zich niet slechts in naam, maar met der daad een opregt en waardig kunstminnaar te toonen.
Iets over bescherming en vrijheld van handel.
Naar Michel Chevalier, Hoogleeraar te Parijs.
I.
Er wordt gedurig door de voorstanders van beschermende regten beweerd, dat hun stelsel meer arbeid verschaft; dit is niet tegen te spreken, maar wat helpt het, of er meer gearbeid wordt, als er niet beter of met meer nut voor de maatschappij gewerkt wordt? Dáár komt het alleen op aan. Indien eens een Chan van Tartarije bet bewind van Frankrijk in handen kreeg — de gebeurtenissen der laatste halve eeuw maken alles geloofelijk en mogelijk — en hij eene wet uitvaardigde, dat alle arbeiders voortaan met de ééne hand achter op den rug gebonden moesten werken, dan zoude, om nagenoeg dezelfde hoeveelheid voortbrengselen te verkrijgen — ieder arbeider minstens zestien uren daags moeten werken. Door die wet kwam dus meer arbeid en toch zoude zij eene ramp zijn. In den arbeid moet men niet enkel het werk en de inspanning van den arbeider opmerken. Bovenal moet er gelet worden op het resultaat. Dat geeft den maatstaf van het nut en gewigt van den arbeid. De mensch werkt toch niet enkel met het doel om zijn ligchaam te bewegen of zijne zenuwen te vermoeijen. Hij werkt om zich voorwerpen te verschaffen, geschikt om zijne behoeften te vervullen. Anders zoude iemand, die den geheelen dag niets deed dan met de armen in de lucht te zwaaijen, zich ook verbeelden kunnen een arbeider en nuttig lid van de maatschappij te zijn; de rijke, die Maandags sloten deed graven en Dingsdags weder liet vullen, om ze Woensdags op nieuw weêr open te maken, zoude zich vleijen kunnen het vaderland even groote diensten te bewijzen, als de bekwame fabrikant van Lyon of Mulhouse.
Indien men in den arbeid enkel lette op de inspanning der zenuwen, zonder acht te geven op het resultaat, dan was een zeker middel om zich aanspraak te geven op de publieke erkentelijkheid, het bedenken van kunstmatige hindernissen tegen het eene of andere werk, omdat men, door eerst die hinderpalen te overwinnen, meer werks noodig zoude maken. Er is voor de staatslieden eene groote les in het lachwekkende verzoekschrift, dat Bastiat ons in zijne onvergelijkelijke Sophismes geeft, wanneer hij — om het ongerijmde van het beschermend stelsel meer in het oog te doen springen — alle fabrikanten van kaarsen, waskaarsen, lampen, alle verkoopers van kaarsvet, hars, alcohol en in ’t algemeen van alles wat de verlichting betreft, doet rekestreren tegen het licht der zon, die ons gratis verlicht. Zoo men dus eene wet maakte, die de sluiting van alle vensters, luiken, blinden, oeils-de-boeuf, in één woord van alle openingen, gaten, spleten en reten, waardoor de zon gewoon is in de huizen te dringen, beval, zouden er veel meer ongel, olie, hars, lampen enz. noodig zijn, en om dat meerdere te verkrijgen veel meer arbeids onmisbaar geworden zijn, en indien nu alle arbeid — zonder op oorzaak of gevolg te letten — een kapitaal is, zoude men de natie verrijkt hebben.
II.
Het zoogenoemd beschermend stelsel is in strijd met de vrijheid en met de regtvaardigheid. Het verhindert goedkoop te leven en werkt treurig op het lot der arbeidende klassen in het algemeen. De leer, waarop het gebouwd is, is besmet met dezelfde gevaarlijke dwalingen, die de stelsels der socialisten zoo te regt doen veroordeelen. Hoe schoon men het ook weet te verbloemen, met welke goede bedoelingen het ook in onze wetten is ingedrongen, hoe opregt de ijver ook zij, waarmede men het dezer dagen verdedigt, het is eene hoogst nadeelige inrigting, die niets dan kwaad werkt en waarvan wij ons met al onze krachten moeten zoeken te ontdoen.
Het beschermend stelsel eerbiedigt de vrijheid in niet één opzigt; het vervolgt haar, onder welken vorm ook. De vrijheid van woonplaats wordt met voeten getreden; ieder fabrikant van voorwerpen, door de wet beschermd — en negen tienden van de meest dagelijksche gefabriceerde artikelen verkeeren in dat geval — heeft het monsterachtige voorregt om bij ieder, bij wien het hem gelieft, huiszoeking te laten doen. Alle jaren maken de op die wijze beschermde fabrikanten gebruik van dat regt, zelfs in Parijs. Van den kelder tot den zolder worden de huizen doorzocht en niet alleen van de handelaars, die men verdacht houdt, maar ook van hunne vrienden, geene handelaars. Men heeft mij van eenen geneesheer verhaald, die de openbare schande van eene huiszoeking moest ondergaan, omdat hij de vriend van een’ koopman in galanteriewaren was.
De persoonlijke vrijheid, de eerbaarheid der vrouwen wordt zelfs niet ontzien; niets houdt de protectionisten in hunnen blinden ijver meer tegen. Uit kracht van het beschermend stelsel worden de vrouwen en dochters van ieder onzer blootgesteld aan de beleediging eener corporele visitatie, telkens als wij van eene buitenlandsche reis weêr over de grenzen komen. Dat hatelijke reglement bestaat niet enkel op papier, het wordt in praktijk gebragt en de meest kiesche gevoelens van de ons dierbaarste personen op die wijze blootgesteld aan de willekeur van de laagste ambtenaren. Als een stelsel zoo handelt met het reinste, dat er in de menschelijke natuur is, moet men niet verwachten, dat het ergens voor stil zal staan.
Mildheid van vermogende burgers van Utrecht.
In de oratie van prof. Opzoomer de philosophiae natura, den 26sten Maart j.l. door z.h.gel. als aftredend rector der Utrechtsche hoogeschool uitgesproken, leest men pag. 28, dat er door eenige vermogende ingezetenen dier stad aan de [akade]mische bibliotheek bijna drieduizend gulden zijn geg[even.] De hoogl. gewaagt hiervan met verdienden lof, en z[egt te]regt, dat men die giften te meer op prijs mag stellen, [daar] de sommen van ’s landswege toegestaan geheel onvold[oende] zijn. Maar wij meenen er te moeten bijvoegen, dat [de] goede ingezetenen van Utrecht niet nu voor het eerst [hun] belangstelling toonen in de meest nuttige akademische [inrig]ting, doch veeleer voortgaan met daarvan de treffendste [wer?]ken te geven. Want uit de „Brieven over den aard [en de] strekking van hooger onderwijs — die, hoewel reeds voor [meer] dan 20 jaren door Ph. W. van Heusde uitgegeven, n[og de] aandachtige lezing van ieder degelijk student overwa[ard] zijn — verneemt men (pag. 204), dat toen burgers va[n de] stad den bibliothecaris nu en dan over een duizend g[ulden] deden beschikken. En het zijn niet alleen geldelijke b[ijdra]gen, welke der Utrechtsche bibliotheek bij voortduring [ten] goede komen, maar, blijkens de aangehaalde geschr[iften] evenzeer boekgeschenken. Hoe ver men er evenwel i[n de] Brieven van verwijderd zij, Utrecht wegens zulk eene mil[dheid?] bovenmate te verheffen, blijkt uit de bijgevoegde woor[den:] ook elders geloof ik is dit gebruikelijk.
Het zijn niet alleen vreemde Dagbladschrijvers, die onze zaken verkeerd voorstellen.
Een staaltje van de weinige bekendheid dezer heeren [van?] onze zaken, wordt gegeven in de Groninger Courant [van] den 4den Junij l.l. Vooral ergert men zich over zeker D[uitsch] Journaal, dat de namen van algemeen bekende staats[man]nen onnaauwkeurig opgeeft. En zeker het is hinder[lijk,] dat in het Duitsche Vaderland onze van Hall en S[loet] voortaan van Hull en Floet zullen heeten. Maar [den] billijkheid vordert, de beschuldiging van onnaauwkeurig[heid] en weinige bekendheid met onzen toestand niet tot de p[ubli]cisten te beperken. Onder de geleerden althans zijn er [onleesbaar] wie zij wel eenigzins van toepassing is. Het volgende d[onleesbaar] ten bewijs. De heer dr. Theodor Schacht, Gross [Herr?] Oberstudienrath, zegt in zijn Lehrbuch der Geographie alter [und] neuer Zeit mit besonderer Rücksicht auf politische und [Kul]turgeschichte, fünfte Aufl., 1851, pag. 575, dat Willem [den] Derde in 1849 aan de regering is gekomen. Maar nu [ver?]der: „die ausübende Gewalt steht dem Könige zu, des[sen?] Civilliste 2400000 fl. beträgt; die gesetzgebende theilt er [mit?] den 2 Kammern der Generarstaaten. Die Mitglieder der 1. K[am]mer ernennt der König auf Lebenszeit (pag. 576: die Ver[lö?]sung Belgiens unterscheidet sich darin von der holländisch[en,] dass auch die Glieder der 1. Kammer gewählt werden); [die] Mitglieder der 2 Kammer werden vom Völke gewählt und z[war?] jährlich ein Drittel. — Das Budget beträgt (in Belgien [onleesbaar] Mill. Franken) 90 mill. Gulden.” — Het boek is te M[ainz?] gedrukt. Geen wonder dus, dat van de inwoners van H[aar]lem, die handelaars in bloemen, pag. 188, gezegd w[ordt] „sie sind des seltsamen Glaubens, die Buchdrückerkunst [onleesbaar] in ihrer Stadt erfunden.” Overigens zal de eene plaats [van] ons land sterker ingenomen zijn met des Doctors berig[ten] dan de andere; — Aalsmeer b.v. sterker met het beright (p[ag.] 186), dat van daar in het begin van den zomer dagel[ijks] twee schuiten met aardbeziën naar Amsterdam vertrekk[en] dan de Helder met de bloote opgave, dat die plaats (p[ag.] 189) alleen door loodsen wordt bewoond.
ZEETIJDINGEN.
Groningen, 17 Junij. Den 15den dezer is van hier vertrok[ken] het nieuwgebouwde kofschip Magretha, groot 114 tonnen, k[apit.] R. H. Stutvoet, van Veendam, gaande met haver naar Londen, [onleesbaar] en gisteren de schooner-galjoot Geertruida Henderika, groot [onleesbaar] lasten, kapt. J. Vóórzee, van Sappemeer, insgelijks met ha[ver] naar Londen gedestineerd.
Binnengekomen te Amsterdam den 14 Junij, kapit. Gorter Snelheid van Suriname; Hazewinkel Onderneming, van Lissabon; Ras[onleesbaar] Margretha, van Londen; Olthoff Jantina, van Grangemouth. — [Te] Texel den 14 Junij, Jaski Baltimore, van Batavia; Douwes I[sa]bella, van Triest; Wijgers Willemina Jettina, van Benicarlo; P[onleesbaar] Titsia, van Londen, — In het Vlie den 10 Junij, Ebes Grietje van Memel; Hazewinkel Geertruida, van Koningsbergen; Orre Twee Gezusters, van Dantzig; Kraan Vrouw Helena, van Fredrikstad; den 11den de Jong Hesperus, van Memel. — Te Helvoet den [onleesbaar] Junij, de Kok Mentor, van Odessa; den 13den Scherpbier Alberdina, van Palermo; van Duinen Elisabeth, van Pernau; Voss Vr. Sjouke; van Hamburg. — Te Brielle den 13 Junij, van Peer Aukje W[il]dervank, vau Windau. — Te Vlissingen den 13 Junij, Kram[er] Catharina, van Buenos Aijres; Mulder Jonge Hendrik en Boi[ten] Fossina Siers, beide van Dantzig. — Te Piraeus den 6 Mei, Sch[u]ring Egberdina Anna, van Amsterdam. — Te Livorno den 6 Junij, Engelsman Elisabeth, van Amsterdam. — Te St Nazaire den [onleesbaar] Junij, Duit Frouwina, van Dantzig. — Te Londen den 11 Junij, Kars Klasina, van Ditzum; den 12den Scholtens Regina Hillegita, van Stettin. — Bij Deal den 10 Junij, Brongers Sophia, van Groningen naar Gloucester. — Te Shoreham den 11 Junij, de Groot Clasina Arendina, van Groningen. — Te Liverpool den 9 Junij, Oldenburger Geppiena, van Petersburg. — Te Hamburg den 14 Junij Schaap Margaretha Gezina, van Brake. — Te Harburg den 13 Junij, Panjer Heidewika, van Amsterdam. — Te Bremerhaven den 10 Junij, Kleijn Maria Magdalena en Kraan Hendrika Siberdina, beide van Delfzijl. — Te Warnemunde den 10 Junij, Fenenga Wilmina Catherina, van Aberdeen; den 12den Legger Marchina, van Antwerpen. — Te Pillau den 9 Junij, Broekema Ida Hillechiena, van Londen. — Te Libau den 6 Junij, Drewes Tjakkien, van Koningsbergen. — Te Windau den 5 Junij, de Boer Jantina Petronella, van Rendsburg. — Te Nerva den 3 Junij, Kamminga Oldambt, Bontekoe Jonge Lucas, Upmeijer Alberdina, Buining Magdalena, van der Veen Johanna Gesina, Potjewijd Afina, Potjer Geertruida Jacoba, den 4den Schuur Jonkvrouw Elisabeth, Wellinga Catharina en Harding Alida, alle 10 van Liverpool; Oldenburger Ceres, van Bergen. — Te Bolderaa den 5 Junij, de Jonge Fennegina Arentina, van Groningen. — Te Bergen den 8 Junij, de Boer Zwaantina Hendrika, van Dundee. — Te Croonstad den 3 Junij, de Boer Jantina, van Amsterdam; van Wijk Jantje, van Liverpool; den 4den Pronk Gezina Jantina, van Havre; Oldenburger Johanna, van Liverpool; Lodewijks Alberdina, van Newcastle; den 5den Spr[onleesbaar] Gritiena Hillechina, van Newcastle; Scholtens Maria, van Gerle. — Te Tonningen den 9 Junij, Drewes Twee Gezusters, van Amsterdam naar Dantzig; den 11den Stuitje Catharina Luitgarda, van Amsterdam naar Stettin; Klontje Meinsina, van Amsterdam naar Lubeck. — Te Rendsburg den 9 Junij, Tent Goede Verwachting, den 10den Dik Jantina en Mugge Martha, alle 3 van Bremen naar Slettin.
Binnengekomen te Amsterdam den 16 Junij, kapit. Meijer Vrouw Alida, van Leer. — In het Vlie den 13 Junij, Oldenburger Gerritje Koumans, van Newcastle. — Te Helvoet den 15 Junij, Zeilinga Agatha, van Fahrsund. — Te Vlissingen den 14 Junij, Gruppelaar Hillechiena, van Livorno. — Te Newijork vóór den 30 Mei, Delclisur Jan van Brakel, van Rotterdam. — Te Londen den 14 Junij, Kuijper Vijf Gezusters, van Memel. — Bij Goudstaart den 10 Junij, van der Veer Wilhelmina Frederika, van Amsterdam naar Suriname. — Te Bergen den 5 Junij, Stuurman Rudolph, van Rotterdam; de Boer Zwaantina Hendrika, van Dundee.
Zeilklaar te Newcastle vóór den 11 Junij, kapit. Schaap Jonge Klaas, naar Petersburg; Koning Zeldenrust, naar Zwolle; Oldenburger Gerritje Koumans, naar Harlingen.
In lading le Liverpool deu 10 Junij, kapit. Boon Jantina, n. Nerva.
Vertrokken van Amsterdam den 12 Junij, kapit. Hoek Johanna Hendrika, naar Batavia; Bakker Vrouw Geertje, naar Bordeaux; Holscher Vijf Gebroeders, naar Petersburg; den 14den Douwes Aquarius, naar Archangel; Fokkes Gebroeders Fokkes, naar Petersburg; Donema Renske Hooites, naar Dantzig; den 15den Rijntjes Triton, naar Suriname; Smit Prins Hendrik, naar Newijork; Roozeboom Eendragt, naar Emden; van der Velde Helena, op avontuur. — Van Texel den 14 Junij, van der Woude Vrouw Dieuwke, naar Londen. — Uit het Vlie deu 10 Junij, Cappen Neptunus,