Naar inhoud springen

Pagina:Groninger Courant vol 111 no 052.pdf/2

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

heeft den officieren een eeremaal bereid. De w.ed. heer Dixon, consul der Nederlanden te Boston, heeft den 20sten Mei, zegt de Boston Times, den „Prins” een bezoek gebragt, bij welke gelegenheid hij overeenkomstig zijnen rang met kanonschoten gesaluteerd werd.
— Gespleten gouden dollars zijn sterk in omloop, zegt de Philadelphia Ledger, en zij die deze „kleine stukjes” wat veel handteren, kunnen niet te voorzigtig zijn. Het stukje wordt, door middel eener kleine machine in tweeën gespleten, waarna ongeveer de helft van het goud er afgenomen wordt en de beide uitgeholde zijden aan elkaar gehecht worden zonder de munt eenigzins te beschadigen.
— De generaal Pierce, groot voorstander van den vrijen handel, en de heer W. Rufus King zijn, door de democratische partij als hare kandidaten voor het aanstaande presidentschap en vice-presidentschap over de Vereenigde Staten verklaard.
— Een man, die onlangs van Californië terugkeerde, bragt de ongehoorde som van tweeënzestig cents mede. Hij verzekerde echter, dat hij er voor 200,000 dollars ondervinding heeft opgedaan, en zegt overigens, dat zich 30,000 Amerikanen in de goudmijnen bevinden, die gaarne naar huis zouden keeren, wanneer zij slechts middelen hadden om de reiskosten te betalen.

RUSLAND.

De militaire aangelegenheden hier te lande zijn tegenwoordig derwijze geregeld, dat de Keizer, binnen 80 dagen, zonder zijn land te zeer te ontblooten, of het Caukasische leger te verzwakken, over 350,000 man goed uitgeruste troepen zou kunnen beschikken, om de westelijke grenzen over te trekken. Men voegt er bij, dat ligtelijk kan worden bevroed, dat deze slagvaardigheid nog aanmerkelijk kan worden bevorderd, wanneer Moskau en Petersburg ook met Warschau, door middel van ijzerbanen, verbonden zullen zijn.

GRIEKENLAND.

De godsdienstige geschillen nemen nog dagelijks toe en worden hoe langer hoe ernstiger. De Regering is er nog niet in geslaagd den bewerker der wanordelijkheden, den monnik Christophorus, in handen te krijgen.

ITALIE.

Te Rome is eene poging ontdekt ter vergiftiging van den Franschen gezant, den heer de Rayneval. In een glas melk, dat hem door een jongen Italiaan aangeboden werd, die in den gezant een weldoener had gevonden en dat den heer de Rayneval om zijne kleur verdacht voorkwam, werd rattekruid ontdekt.
Men weet niet of men dezen moordaanslag moet toeschrijven aan staatkundigen partijgeest, dan of het een gevolg kan wezen van naijver van een der bedienden jegens den Italiaan.

ZWITSERLAND.

VAN DE GRENZEN, 23 Junij.

De ophanden zijnde beraadslagingen van den bondsdag beloven de belangrijkste te zullen zijn, welke in langen tijd hebben plaats gehad. Tot de ontwerpen, welke ter sprake zullen komen, behoort vooreerst de kwestie van Neufchâtel, welke de betrekking met het buitenland betreft, en die van Freiburg, welke eene levensvraag uitmaakt. Vervolgens zullen ter sprake komen de houding der vergadering tegenover het behoudend gezinde Bern, de vertoogen der ontbondene Grüttli-vereeniging, de aanleg van spoorwegen, de oorlogskosten van het Sonderbond, enz.
— In eenige gedeelten van Zwitserland is in den nacht van den 14den en 15den sneeuw gevallen.
In Bern werden den 19den dezer, ’s namiddags te 3 uur, herhaalde schokken van aardbeving, in de rigting van het noordoosten naar het zuidwesten, waargenomen.

DUITSCHLAND.

Uit alle provinciën van Hannover ontvangt men berigten, dat overheden, burger-vereenigingen en onderwijzers-collegiën adressen tot de Kamers rigten, om te verzoeken, dat alle voorstellen tot verandering der constitutie van 1848 afgewezen worden.
— Bij het Pruissische leger zal het aantal officieren aanzienlijk worden vermeerderd.
— De Koning van Pruissen heeft, op verzoek van het Dombau-Verein, bij zijn verblijf te Keulen, op den 25sten dezer, den sluitsteen gelegd in den juist voltooiden eersten boog van het hoofdportaal.
— Den 18den Junij zijn te Bremen in hechtenis genomen de boekdrukker E. Meijer, als tot het Doodenverbond behoorende, en 2 jonge jufvrouwen Meijer en Mindermann, als schrijfsters van de brieven over den toestand van Bremen, bij Dubber uitgekomen.
— Uit Berlijn wordt het volgende geschreven: „Lang is er gesproken over de gemeentewet. Onze Staats-Courant eindigt thans den twijfel daaromtrent. De wet van den 11den Maart 1850 wordt ingetrokken, behalve in de steden waar ze reeds was ingevoerd. De overige rijksdeelen blijven onder de oude wet. De nieuwe wet zal de regering niet octroijeren; de Kamers zullen de beslissing behouden, in de hoop, dat die het vraagstuk op voldoende wijs zullen uitmaken. Terwijl de minister deze concessie doet, schrijft hij aan de uitvoerende magt een nieuw regt toe; ze zal voortaan niet alleen wetten kunnen uitvaardigen, maar ook de wetten, door de beide Kamers goedgekeurd, intrekken! — Verder verklaart de regering, dat de provinciale Staten zullen bijeengeroepen worden, vóór de aanstaande bijeenkomst der Kamers, om de nieuwe provinciale wet te beoordeelen. — Deze verschillende mededeelingen hebben hier veel sensatie verwekt.”
— Te Hamburg verscheen dezer dagen een magnetiseur bij den eigenaar eener menagerie en verzocht van dezen vergunning om geheel alleen en ongewapend het hok van den leeuw te mogen binnentreden. De eigenaar der beesten wilde natuurlijk de verantwoordelijkheid van deze daad niet op zich nemen, maar op zijn herhaald verzoek besloot hij met hem in het hok te gaan. Zoodra die vreemdeling binnentrad, zag hij den koning der dieren scherp in de oogen en legde onverschrokken de hand op den kop des leeuws, zonder dat deze de minste dreigende beweging maakte. Vervolgens deed hij den leeuw over eenen stok springen en verscheiden andere kunsten verrigten, die het bewijs leverden, dat hij de meest volkomene heerschappij over den leeuw had verkregen. (?)
— Men schrijft uit Darmstadt, dat de snorrebaardenzaak van de advokaten (gelijk men weet is het hun verboden die te dragen) thans ook voor het hof van cassatie zal gebragt worden. Toen namelijk voor de assises de verdediger van een beschuldigde door den president niet toegelaten werd, omdat hij een snorrebaard droeg, heeft de beschuldigde, wien de president een anderen advokaat zonder snorrebaard opdrong, dien geweigerd en zich in cassatie begeven. Mogt nu het hof dit middel van cassatie verwerpen, dan zal de advokaat er wel toe moeten besluiten, om zijn snorrebaard te laten afnemen!
— Het wetgevende ligchaam der vrije rijksstad Lübeck heeft, in zijne jongste zitting, op voorstel van den Senaat, besloten, aan de Israëlieten dezelfde burgerlijke en andere regten toe te staan, als aan de overige ingezetenen.
— De Oest. Correspt. houdt zich bezig met de statistische opgaven betreffende de onechte geboorten in Oostenrijk, welke buitengewoon talrijk zijn. Volgens een officiëel onderzoek is de verhouding vooral ongunstig in de hoofdsteden, daar in de laatste 9 jaren van de 1000 geboorten de onechten bedroegen te Grätz 635, Klagenfurt 564, Weenen 483, Lemberg 477, Praag 466, Brunn 417, Linz 435, Laibach 351, Milaan 296, Troppau 305, Zara 287, Inspruck 194, Venelië 142.
— De beroemde sterrekundige dr. Franz von Paula Gruithuizen is den 22sten dezer te Munchen overleden. Hij was den 19den Maart 1774 geboren.
Henriette Sontag (gravin Rossi) heeft voor de laatste maal voor hare reis naar Amerika, in Duitschland te Koburg gezongen. Haar ter eere gaf de hofmaarschalk een groot souper door den regerenden hertog bijgewoond. De beroemde zangeres is voornemens bij den terugkeer uit Amerika zich te Koburg te vestigen en de baron v. Wangenheim is in onderhandeling om op haren last een landgoed aldaar te koopen en heeft reeds ƒ 500,000 er voor geboden.
— Men meldt uit Elseneur, den 21sten dezer, dat het grootste gedeelte van een uit zeventien, meestal groote schepen bestaand Russisch eskader, dien dag en den vorigen daar ter reede gearriveerd was.


— Bij de bekende firma Cotta is eene geïllustreerde en met staalgravuren voorziene folio-prachtuitgave van den Faust van Göthe ter perse, welke de kosten van ongeveer 50,000 gulden vordert.



(Zie het vervolg der Nieuwstijdingen enz., in het Bijvoegsel.)




(Ingezonden.)

Teelt na vroege aardappelen.

In 1851 heeft men in enkele zand- en zavelgronden in Zuid-Holland de boekweit gezaaid op velden, waarvan vroege aardappelen waren ingeoogst. Hoewel het te vreezen is, dat zoodanige boekweit welligt niet meer behoorlijk tot rijpheid zal kunnen komen, zoo is dit echter eene proef, die ook elders (al is het dan ook eerst in het klein) verdient genomen te worden, waarom ik dit hier met een enkel woord meende te moeten opteekenen.
In het westelijk gedeelte van Delfland heeft men, mede in 1851, met zeer goed gevolg, cichorei geteelt na vroege aardappelen in hetzelfde jaar.
In Delfland zaait men zeer algemeen de peen (gewone wortelen) na vroege aardappelen.
Op goede zavelgronden in het noorden van Friesland plant men zeer algemeen de veelopbrengende en voedzame koolrapen (plantrapen) na vroege aardappelen.

v. H.


In verschillende nieuwsbladen leest men, bij herhaling, dat, tot afwering der longziekte, door dr. Willems te Hasselt, de inoculatie is uitgevonden, en reeds is ingesteld met zoodanig gunstig gevolg, dat het Belgisch gouvernement met belangstelling zich de zaak heeft aangetrokken; — verder wordt de prioriteit der uitvinding aan gemelden geneesheer betwist, door dr. Donkersloot, te Amerongen. — Met het oog op deze mededeelingen, vestigen wij de aandacht op eene daadzaak, uit welke duidelijk kan blijken, dat noch aan dr. Willems, noch aan dr. Donkersloot, maar aan IJpe Bouwes Ringnalda, veehouder te Deerzum, de eer toekomt, het eerst de longziekte te hebben ingeënt.
In de maand April 1851 is door gemelden veehouder ingediend een uitvoerig adres over de heerschende longziekte, waarbij hij de aandacht der prov. staten van Friesland inzonderheid vestigt op de inënting en een daarmede verbonden afzonderingsstelsel; opdat alzoo het onzalig denkbeeld van dooding van het aangedane rund mogt ophouden, menig kostbaar offer te vragen, en men door doelmatige middelen zoude trachten eenen veestapel te erlangen, te hooger in waarde, naarmate dezelve ongevoeliger voor de ziekte zoude zijn.
In gemeld adres heeft hij zijne meening zoeken te ondersteunen door de mededeeling, dat hij in de maand October 1849 de inoculatie der longziekte heeft verrigt aan negen kalveren van ruim ½ jaar oud, aan de wed. Sijbren Hendriks Sijbrandij, nabij Deerzum, toebehoorende, alwaar destijds de ziekte hevig woedde. De slijm, uit de neus der aangetaste runderen vloeijende, werd door middel van eenen draad garen in de huid der ooren bij de kalveren overgebragt, met dit gevolg, dat, na weinige dagen, allen meer of min hevig de verschijnselen der longziekte vertoonden. Ofschoon sommigen aan de inoculatie-plaatsen hevige zweeren vertoonden, welke met misvorming zijn genezen, zijn echter allen hersteld en tot heden gezond gebleven, behalve een bul, die, naar gewoome, geslagt is na den springtijd.
Sneek, 17 Junij 1852. S.



 

Iets over bescherming en vrijheid van handel.

Naar Michel Chevalier, Hoogleervaar te Parijs.

III.

Wat! heeft men mij dikwijls toegeroepen, gij wilt den ondergang van zoo vele heerlijke takken van nijverheid, die den roem van het land uitmaken! — Ik ken geene nijverheid, die den roem van het land uitmaakt, dan die welke hare produkten goedkooper voortbrengt dan vreemde. De nijverheid is slechts roemvol, naar mate zij ons de middelen verschaft om goedkooper te leven, en in een ander opzigt geenszins. Wat den ondergang der beschermde nijverheidstakken aangaat, als zij slechts hunne berekening maken, is er niets te vreezen. Door den prikkel der noodzakelijkheid gedrongen, zullen zij eene poging te meer doen en weder opleven, doordien zij, zich hunnen toestand bewust wordende, alle hunne krachten zullen inspannen om met de vreemde industrie gelijken tred te houden. Zijn er bij, die hierin ten achteren zijn, dan is zulks bijna altijd aan het beschermend stelsel te wijten, omdat dit hen aan de dringende verpligting heeft onttrokken, die op hen rust, nl. naar volmaking te streven.
België maakte, vijfendertig jaren geleden, een gedeelte van Frankrijk uit en zijne werkplaatsen en fabrijken gingen de onzen niet te boven. Indien dezen nu in eenige opzigten ons den baas zijn, indien b. v. België ijzer en machines goedkooper heeft sedert de afscheiding, heeft hetzelve een vrijzinniger of minder streng tarief gehad, dan het onze. Evenzoo Zwitserland, dat zich niet beschermde, en reuzenschreden heeft gedaan in de nijverheid. Telkens als er — onverschillig bij welk volk — sprake is van eene vermindering der premiën of regten, die de bevoorregte industrietakken zich door het publiek laten betalen, uiten zij zieldoorsnijdende kreten en kondigen met luider stemme hunnen ondergang aan. De wetgever moet echter regt op zijn doel blijven afgaan, en de hervorming daarstellen ten nutte van het algemeen belang, en het is meer dan waarschijnlijk, dat men weldra diezelfde fabrijken, die zich verloren waanden, meer dan vroeger zal zien bloeijen. Twintig malen heeft de ondervinding het ons geleerd. In Pruissen en andere Duitsche Staten verhieven zich jammerkreten onder de fabrikanten, toen het Zollverein de fabrijken van geweven boomwol en de wolspinnerijen aan de concurrentie der Saksische onderwierp; het was, zeiden zij, hun doodvonnis. Twee of drie jaren later, bloeiden zij. Hoe dikwijls is dit in Engeland niet verkondigd, telkens als de regten op de Fransche zijden werden verminderd, en telkens in tegendeel hebben de Engelsche zijdefabrijken er eene ongekende kracht door ontwikkeld. Bij ons zoude in 1843 de gelijkstelling der regten de inlandsche suiker vernietigen [1]. Is die verwonderlijke nijverheidstak bezweken? Neen, juist het tegendeel, de koloniën waren het, zelfs nog vóór de gebeurtenissen van 1848, die om genade kwamen smeeken.
In alle dergelijke gevallen gaan geene fabrijken te niet, tenzij zij misplaatst waren of op onhoudbare voorwaarden werkten. Het is ongelukkig voor de belanghebbenden, bedroevend voor alle welwillenden; maar moet een individu het regt hebben, ten eeuwige dage der maatschappij eene belasting op te leggen, omdat hij eene slechte plaats voor den zetel van zijne nijverheid heeft gekozen of omdat hij zich hardnekkig aan onmogelijke en verouderde vormen en voorwaarden vastklemt? Aan een ieder zijn regt, aan een ieder de verantwoordelijkheid voor zijne eigene zaken. Als men door eene belasting op de maatschappij, de hoofden van industriële inrigtingen, die uit eigene kracht niet langer kunnen staande blijven, vermeent onbepaald te ondersteunen, dan herleeft weder het regt op den arbeid. En als dit wordt erkend ten voordeele der fabrikanten, uit kracht van het beschermend stelsel, vraag ik, waarom men het niet bij de constitutie ten voordeele der werklieden bepaalt. De wet der verantwoordelijkheid is voor allen dezelfde, maar als er eene uitzondering dient gemaakt te worden, dan komt het mij voor, dat zulks het eerst ten gunste der arme klassen dient te geschieden.
Ik beken, dat het voor eenige personen, die gehoopt hadden zich hier op dit ondermaansche een gerust leventje te bereiden, eene onaangename stoornis is; maar wij zijn hier om beproefd te worden. Soms is de proef hard; wij hebben echter toch geen regt, om ons er over te beklagen, ik zeg niet alleen voor God, maar zelfs voor de menschen, als zij komt ten gevolge van de ware vrijheid en regtvaardigheid, en bovenal niet, wanneer wij van hare onmiddellijke komst vooraf zijn verwittigd geworden. Hij alleen kan zeggen, dat de voorzienigheid gestreng is, en dat de menschen elkanders vijanden en vervolgers zijn, die voor zich alleen alle geregtigheid en vrijheid heeft. Hoe zou de nijverheid aan die hoogere wet kunnen ontkomen? Alles is hier beweging en derhalve woeling en verstoring; de beetwortel vervangt en verstoort de suiker, tot zoo lang zij eens weder door eene of andere plant wordt opgevolgd; de spoorwegen dooden de diligences en andere rijtuigen, de stoombooten de zeilschepen; de boomwol veroorzaakt den ondergang van wol en hennep; de mechanieke werktuigen vervangen den handenarbeid. De eene machine verjaagt de andere; de eene handelwijze stelt zich in de plaats van haar, die den vorigen dag nog het nee plus ultra van het menschelijke verstand scheen. De mededinging werpt alle onze berekeningen omver en midden tusschen al die woelingen en stoornissen, is toch een onophoudelijke vooruitgang — de toenemende volkomenheid en goedkoopheid van alle voortbrengselen, met andere woorden, de overvloed.


  1. Zoo als men weet, wordt er in Frankrijk eene menigte suiker uit beetwortelen getrokken.



Correspondentie.

„Eene propositie” kan niet geplaatst worden, [omdat?] daardoor ligt iets anders zou te weeg gebragt worden [kon?] wel in de bedoeling van den schrijver daarvan lag.

ZEETIJDINGEN.

Binnengekomen te Amsterdam den 23 Junij, kapit. T[untelder] Christina Christina, van Londen; Dekker Alida, van New[castle?] den 25sten Topzant Hopende Zeeman, van Hull; Garrels H[endrika] Christina, van Riga. — Te Texel den 23 Junij, Kempema [de Jonge] Sippe en den 24sten Prins Roelfina, beide van Londen; den [onleesbaar] Meijer Margretha, van Sunderland. — In het Vlie den 23 [Junij,] Bakker Alexander, van Petersburg; Waterborg Fokkiena, van S[onleesbaar] den 24sten de Jong Goede Verwachting, van Stadhill. — Te H[onleesbaar] den 23 Junij, Kappen Jonge Willem, van Dagöe. — Te [onleesbaar] den 24 Junij, Giezen Juffrouw Hillegonda, van Riga. — T[e Su]riname den 22 Mei, de Groot Jacoba, van Amslerdam. — T[e Nic]kerie den 17 Mei, Stoelman Groningen, van Newcastle. — Te [onleesbaar]ra den 17 Mei, Zeijlstra Komeet, van Liverpool. — Te [onleesbaar] den 7 Junij. Muller Anije Brons, van St. Vincent. — Te L[on?]den 22 Junij, Kramer Harmonie, van Greifswald; den 24sten S[onleesbaar] Margaretha, van Groningen. — Te Deal den 23 Junij, Kraa[n An]nette Fossina, van Amsterdam naar Nizza. — Te Gloucest[er den] 23 Junij, Brongers Sophia, van Groningen. — Te North S[hields] den 20 Junij, Vegter Anna, van Delfzijl; de Jonge Jantina [van] Londen; dden 23sten Huisman Edzard, van Groningen. — Te [onleesbaar] den 20 Junij, Meeter Vertrouwen, van Straalsund. — Te Lij[n den] 22 Junij, Wijbes Vriendschap, van Memel. — Te Bremerha[ven den] 22 Junij, Huisman Aurora, van Groningen. — Te Arend[ahl den] 11 Junij, Fenenga Vrouw Jantina, van Edam. — Te Veile [den] [onleesbaar] Junij, Faber Twee Vrienden, van Holland. — Te Gottorf [den] [onleesbaar] Junij, Lieffijn Goede Verwachting, van Kampen. — Te W[arne]munde den 21 Junij, Drent Anna Catharina, van Rouaan. — [Te] Dantzig den 18 Junij, de Jonge Castor, van Amsterdam; den [onleesbaar] Oorburg Hendrika Ellida, van Dordrecht; de Vries Roelina [Elsina] en Kramer Agatha Jacobina, van Elbing; den 21sten Bakker [Jonge] Tammink, van Dordrecht. — Te Bolderaa den 16 Junij, Sch[onleesbaar] Elsina, van Schiedam; Fenenga Johanna Beerta, van Torravecchio. — Te Archangel den 7 Junij, Mooi Hylke Tromp, van Amsterdam. — Te Rendsburg den 18 Junij, Drewes Vrouw Margaretha, van [onleesbaar] naar Harburg; den 19den Joosten Jantina, van Rostock naar Lo{{grijs|[nden?]] Kremer Goede Verwachting, van Bremen naar Dantzig; van D[riesten] Bellamy, van Hamburg naar Petersburg; den 20sten Konterm[an Vr.] Renske, van Workum naar Holland; Legger Geertina, van Ham[burg] naar Stockholm; den 21sten Stuit Eendragt, van Bremen naar S[onleesbaar] den 22sten Scholtens Hendrika, van Dantzig naar Elsfleth; den [onleesbaar] Hungelbroek Willem Hendrik, van Amsterdam naar Sleeswijk; [den] 24sten Hazelhoff Vrede, van Dantzig naar Elsfleth; Esbra Elisab[eth] van Assens naar Amsterdam.
Binnengekomen te Maassluis den 26 Junij, kapit. Pronk Ges[ina] van Elbing. — Te St. Nazaire den 22 Junij, Bakker Frouw[ke?] van Hamburg. — Te Travemunde den 23 Junij, Hazewinkel A[onleesbaar]dina Hermina, van Nerva. — Te Wolgast den 16 Junij, [Tent?] Goede Verwachting, van Bremen. — Te Croonstadt den 16 J[unij] de Boer VVemelina, van Antwerpen.
Vertrokken van Amsterdam den 23 Junij, Bakker de Jonge [Tijs] naar Elbing; Dekker Epimachus, naar Dantzig; den 25sten O{{grijs|[lthoff?] Calharina, naar Elbing; den 26sten Hitman Twee Gebroeders, [naar] Antwerpen; Warners Tjaardina Fennegina, naar Londen. — [Van] Texel den 23 Junij, Gunter Cornelia, naar Londen; Giezen N[ijver]dal, naar Hull; den 24sten Bakker Vrouw Geertje, naar Bord[eaux] den 25sten van der Veen Vrouw Anske, naar Yarmouth. — [Uit] het Vlie den 23 Junij, Rasker Harmina Gozina, naar Elbing; [den] 24 Junij, de Jong Hesperus, naar Memel. — Van Helvoet den [onleesbaar] Junij, Smit Annechina Elsina, naar Dantzig. — Van Brielle [den] 25 Junij, Gust Julia, naar Newcastle. — Van Vlissingen [den] [onleesbaar] Junij, Hofkamp Hortense, naar Liverpool. — Van San Fran[cisco] den 12 Mei, Wijnands Doctrina et Amicitia, naar Batavia. — [Van] Laguaijra den 20 Mei, Smidt Eduard, naar Hamburg. — Van T[onleesbaar] den 17 Junij, Smaal Juno, naar Palermo. — Van Nantes den [onleesbaar] Junij, van der Wall Jantina, naar .....; den 20sten Pu[uister] Rieka, naar Dublin; den 21sten Smit Catharina Frederika, [naar] Liverpool. — Van Lissabon den 12 Junij, Sap Johanna Jacob[onleesbaar] naar Triest. — Van Havre den 20 Junij, Meijer Mentor, n[aar] Dantzig. — Van Bordeaux den 21 Junij, Lovius Trekvogel, n[aar] Amsterdam. — Van Gloucester den 20 Junij, Borst Jacobus, n[aar] Cardiff. — Van Hartlepool den 20 Junij, Visser Trijntje, n[aar] Stettin. — Van Grimsbij den 22 Junij, Vlas Hendrika, naar A[m]sterdam. — Van Hamburg den 21 Junij, de Jonge Jezelina, n[aar] Petersburg; Albers Gesina Helena, naar Dantzig; den 22sten D[uif] Jonge Duif, naar Bergen; den 23sten Prins Weldaad, naar T[er]munterzijl. — Van Bremerhaven den 23 Junij, Zuininga Frous[ke] Steenhuizen, naar Stettin. — Van Swinemunde den 21 Ju[nij] Foelders Weldaad, naar Rendsburg; den 22sten Hazewinkel Albe[r]tina, naar Londen; Riecke Alexandrine, naar Groningen. — V[an] Pillau den 21 Junij, Knooihuizen Annechiena Bouwina, naar Dordrecht. — Van Dantzig den 18 Junij, Boon Jacoba Hazewinkel naar Zwolle; Schuur Zwaantina, de Boer Marchina en de Gr[oot] Geertruida, alle 3 naar Londen; Bekkering Catharina, naar Bremen; den 21sten Paap Margaretha, naar Grimsbij. — Van Me[mel] den 17 Junij, de Boer Concordia, naar Harlingen; den 18den [de] Vrede Prudentia, naar Aberdeen; Helmers Vier Gezusters, n[aar] Apenrade; den 19den de Groot Harmonie, naar Amsterdam. — Van Bolderaa den 16 Junij, de Jonge Hendrik; Pijbes Hoop en Verwachting, den 17den Tap Maria Beerta, Mulder Gesina, Blo[em] Annechiena en Jager Belina, alle 6 naar Elseneur.
Vertrokken van Texel den 26 Junij, de Boer Clara Henriette, naar Singapore; Leeuwe Hendrika Jantina, naar Napels; Hubert Juffer Annetle en Lever Catharina Elisabeth, beide naar Genua[;] Jonker Sibertina, naar Antwerpen. — Van Helvoet den 26 Junij, Potjewijd Alida Petronella, naar Philadelphia; Degenhard Wicherdina, naar Triest; de Weerd Vice Admiraal Lucas, naar Cardiff. — Van Brielle den 26 Junij, van Duinen Elisabelh, naar Archangel. — Van Nantes den 23 Junij, Potjer Elsje, naar Londen; Kleijn Alida Margaretha, naar Liverpool. — Van Pillau den 22 Junij, Kramer Annette Catharina, naar Gend.


Harlingen, den 26 Junij. Binnengekomen den 20 Junij, kapit. Munneke Baudina, van Newcastle; de Grooth Arendina, van Christiaansand; den 21sten Groenwold Vr. Margrieta, van Hamburg; Keun Twee Gezusters, van Oudsoen; den 24sten Pekelder Berendina, van Hamburg; Plukker Hendrik, naar Christiaansand.
Termunterzijl, 27 Junij. Binnengekomen den 24 Junij, kapit. Meiners de Vr. Janna, van Leer; Wiards Antina, van Norderneij; den 25sten Munning Anje, van Noorwegen; den 27sten Burman de Vr. Geziena, van Leer; Henrichs Hindertjerika en Klokgieter Margaretha, beide van Norderneij.
Vertrokken den 22 Junij, kapit. Legger Geerdina en den 23sten Boswijk Hendrika, beide naar Noorwegen; den 25sten Wilkens Alberdina, naar Noorwegen; den 27sten Burman Geziena, naar Leer; Vos Aaltina, naar Halte.
Zoutkamp, 27 Junij. Vertrokken den 25 Junij, kapit. van Sluis Tjakkina, naar Londen; Steffens de Jonge Andries, naar ....; den 27sten Forma Frouke en van Dijk Eva Henderika, beide naar Londen; Dieters Tecla Johanna, naar Gloucester.
Vertrokken den 22 Junij, kapit. Dijkstra Geertina, naar Hamburg; den 23sten de Jong Hesperus, naar Noorwegen; den 24sten de Grooth Arendina, naar Noorwegen; den 26sten Oldenburger Gerritje Koumans, naar Engeland.


Hull, 21 Junij. Het schip Adrianus Wilhelmus, kapit. Bok, van Hartlepool naar Aden, met schade te Hartlepool teruggekomen, is alhier binnengesleept om te repareren.



LIJST DER NEDERLANDSCHE SCHEPEN,
welke de Sond gepasseerd zijn.

19 Junij. Petersen, Fortuna, v. Riga n. Schiedam, m. gerst.
Rink, Jacobus Begtman, v. Schiedam n. de Oostz., m. ball.
Schut, Jacob Synes, v. Rouaan n. Pillau, m. wijn.
Eefting, Hermanna, v. Madera n. Petersburg, m. wijn.
de Boer, Gezina, v. Memel n. Amsterdam, m. hout.