zijn, verdeelt, 2, 3 a 4 tot yder; soo drae verdeelt waren wierden 't samen voorden Coninck gebracht, die ons door den voorn. Jan Janse Weltevree van alles liet onder vragen, waer op bij ons ten besten geantwoort zijnde, versochten, ende Zijn Majesteijt voorhoudende, dat 't schip door storm hadden verlooren, op een vreemt lant vervallen, van ouders, vrouwen, kinderen, vrunden en maeghen ontbloot waren, dat den Coninck ons de genade wilde bewijsen om naer Japan te 12 senden, om aldaer weder bij ons volcq te comen ende in ons vaderlant te geraken; gaf ons voor antwoort, soo den veelmael genoemden Weltevree vertolckten, dat sulcx haer manier niet en was, vremde natie uijt zijn lant te senden, maer mosten aldaer haer leven eijndigen, dat hij ons onderhout soude geven; liet ons op onse lants wijse dansen, singen ende alles doen wat geleert hadden[1]; op haer manier ons wel getracteert hebbende, schonck yder man twee stucx lijwaet om voor eerst ons daer naer de lants wijse inde cleeden te steeken ende wierden weder bij onse slaepbasen gebracht; des anderen daegs worden te samen bijden veltoverste geroepen, die ons den meergem: Weltevree dede aanseggen dat den Coninck ons tot lijff schutten[2]
- ↑ Van heel wat deftiger personages dan Hamel en zijne kameraden, werd in Japan verlangd dat zij den Sjogoen en zijn hof op eene dergelijke vertooning zouden vergasten.
Dagr. Japan, Donderdag 29 Maart 1691: "Hiertusschen waren wij [het Opperhoofd Hendrik van Buijtenhem en zijn gevolg bij de audientie te Jedo] nederleggende tot dat den Keijser [d.w.z, de Sjogoen].., ons door den Oppertolck.., liet belasten regt op te sitten, mantels af te doen, hoeden op te setten, heen en weer te gaan, een liedeken te singen, op ons manier den anderen te complimenteren, te bekijven, eens te dansen, een droncke matroos te verbeelden, mijn vrouw en kinderen haar namen, onse eijgen en die van de Nangasackijse gouverneurs overluijd op te roepen, ijets op 't papier te teijkenen en een stuck van een comedie te ageeren....
... de Messrs bij my sijnde songen op 't versoek van geme regenten en tot vermaak van de Juffers, die bij menigte agter jalousij-matten saten, een hollands liedeken, komende met sons onderganck heel vermoeijt van hurken, bucken en kruijpen weder in ons logiement." (Vgl. Valentijn, V. Bijzondere zaken van Japan, bl. 75).
De Bataviasche Regeering was er geenszins over gesticht dat men "voor de hoogheden allerhande grimassen heeft moeten bedryven en voor de Juffers helder op singen", hetgeen "gansch niet met het respect van de nederlantse natie compatibel zij, immers in genen dele ten regarde van het Opperhooft". Werden "soodanige sotte en narre potsen weder afgevergt" zoo moest men trachten zich te excuseeren, "immers ten opsigte van het Opperhooft, soo het in 't generaal niet te vermijden" was. Voor die potsen was te minder reden omdat de Japanners zelven naar hunne "methode, aart en maniere veel meer van ernst als van jok houden". De Regeering vond ook "dat soodanige aansoekinge mede gerede soude konnen afgewesen werden, als de onse haar ter occasie dat se door de groten genereuselijk getracteert werden, soo veel meesterschap over de kragt en bewegingh van den sterken drank maar tragten te behouden [dat zij] buijten postuur van fatsoen en bescheijdenheijt niet en geraken, maar door ingetogenheijt en stilligheijt een geheel andere verwagtinge van haren aard en ommegangh geven" (Res. 29 Mei 1692). - ↑ Vgl.: "het gebruijck van oppassers ofte lijfschutten soo door den gesaghebber als andere mindere bedienden [te Bantam]". (Res. 17 Aug. 1708).