Naar inhoud springen

Pagina:Hamel, Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer (Hoetink, 1920).pdf/116

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

halen[1]; wij wierden door den Coninck in een groote schans gesonden, om aldaer soo lange den Tartar inde stadt was, bewaert te worden[2]; dese schans leijt ontrent 6 a 7 mijlen vande stadt op een seer hoogen bergh, wel 2 mijl op te gaen, sijnde seer stercq, waer na toe den Coninck in tijt van oorlogh de vlucht neemt. Hier houden de grootste papen vant land haer residentie, daer is altijt voor drie jaren victalie in, daer mede haer ettelijcke duijsent mannen kennen geneeren. Is genaemt Namman Sangsiang[3]; alwaer tot den 2 a 3en September, dat den Tartar vertrocken was, bleven.

Int laetste van November vroort soo hard dat de rivier een mijl vande stadt gelegen, soo hart toegevrooren was, dat de paerden met haer volle last tot 2 a 300 agter malcanderen daer over conden gaen.

Int begin van December den veltoverste aansiende de groote koude ende armoede die wij leeden, diende het den Coninck aan, waer op hem belastte dat hij eenige vellen aan ons soude geven, die int blijven van 't schip aen 't eijland gespoelt, bij haer geberght, gedrooght ende hier met haer vaertuijgen gebracht waren, doch meest verrot[4] ende opgegeten[5], met last dat wij die souden vercoopen om voor de coude soo veel mogelijck was, daermede te versien; vonden doen met malcanderen goet, alsoo de slaepbasen ons dagelijcx quelden met hout halen, dat soo heen en weer wel drie mijlen over t geberghte ver was, 't welcq door de bittere koude ende ongewoonte ons seer droeffrigh ende moeijelijck viel, met 2 a 3 samen huiskens te coopen, siende naest Godt geen uijtcomst te verwachten ende soo te beter te leven, liever willende wat koude lijden, dan altijt van dese heijdense natie[6] gequelt te sijn; leijden de man 3 a 4 taijlen silver bij malcanderen, ende alsoo huijskens van 8 a 9 taijl ofte 28 a 30 gl. cochten;

  1. Deze voorstelling zal onjuist zijn; tribuut werd gebracht, niet gehaald (zie bl. 48, noot 3; bl. XXXIV, noot 1 en bl. 51, noot 3); de taak van de Tartaarsche gezanten moet een andere zijn geweest.
  2. "Hamel does not state why he and his companions were sent away, but it was probably to conceal the fact that foreigners were drilling the royal troops. The suspicions of the new rulers at Peking were easily roused" (Griffis, Corea, 1905, bl. 172).
  3. "Four great fortresses guard the approaches to the royal city. These are... Kang-wa to the west.... Kang-wa, on the island of the same name at the mouth of the Han-River, is the favorite fortress, to which the royal family are sent for safety in time of war... During the Manchiu invasion, the king fled here, and, for a while, made it his capital" (Griffis, Corea, 1905, bl. 190-191). — Namman Sangsiang is misschien een hoog gelegen punt van deze versterking geweest.
  4. "Alsoo dit een bederffelijcke waere is" (Gen. Miss. 26 Maart 1622).
  5. Uitg.-Saagman. Stichter en van Velsen hebben: "van de mijt opgegeten."
  6. d.w.z.: de Chineesche slaapbazen bij wie zij ingekwartierd waren.