van 't overschot staken ons een weijnigh inde cleeren ende brachten alsoo den winter daer mede door.
In Maert quam den Tarter weder, als vooren verhaelt hebben; wij worden belast niet uijt onse huijsen te gaen; den dagh wanneer den Tarter vertrock geliet[1] den opperstuijrman Hendrick Janse van Amsterdam ende Hendrick Janse Bos van Haerlem, bosschieter, dat sij om branthout verlegen waren; gingen naer 't bos, alwaer sij aande cant daer den Tarter voorbij most passeeren, gingen leggen; den Tarterse gesant verbij comende, die met ettelijcke hondert ruijters ende soldaten geleijt wort, braken door de selve ende vattent paert vanden opperste gesant bijde kop; de Coreese clederen uijtgeschut hebbende, stonden (vermits deselve daer onder aen hadden) op haer Hollants voorden Tarter gecleet; veroorsaeckte terstont sulcken confusie, dattet alles in roere was; den Tarter vraeghden haer wat sij voor volcq waren, dog conden malcanderen niet verstaen; belasten datmen den stuijrman mede soude nemen ter plaetse daer hij dien nacht soude logieren; vraeghden aan den geene die hem uijt convoijeerde 14 offer geen tolcq en was die den stuijrman verstaen conde, waer op den meergem: Weltevree door last des Conincx terstont most volgen; wij worden oocq alt samen uijt onse buijrt int Conincx hoff gehaelt; voor de rijcx raden gecomen zijnde, die ons vraeghden of wij daer niet van wisten; daer op wij tot antwoort gaven, dat sulcx buijten onse kennisse was geschiet; evenwel leijde ons een straffe toe, om dat wij van haer uijtgaen niet hadden gewaerschout, yder 50 slagen opde billen; van al 't geseijde den Coninck telckens wiert rapport gedaen, wilde inde 50 slagen niet consenteeren, seggende dat wij door storm ende niet om te rooven ofte stelen op sijn lant gecomen waren, belasten dat sij ons naer huijs souden senden ende aldaer te blijven tot nader ordre. Den stuijrman met den voorn: Weltevree bijden Tarter gecomen ende van alles ondervraecht sijnde, is de saeck bijden Coninck ende Raden soo besteecken dat den Tartersen gesant voor een somma gelts hem liet om coopen, dat de sake aanden groote Cham niet soude openbaren, sorgende dat 't geschut datse op hadden laten duijcken en de goederen souden moeten op brengen; sonden de twee maets weder na de stadt, die terstont inde gevanckenis geworpen zijn alwaer zij na eenigen tijt zijn comen te overlijden, te weten den stuijrman ende bosschieter; wij hebben noijt
- ↑ zich gelaten = voorgeven, veinzen. Thans nog in gebruik (Woordenboek der Nederlandsche taal, IV, kolom 1051). — Verg. "'t schijnt naer dese gesanten haer gelaten" (Miss. G.G, de Carpentier aan Coen, Batavia, 29 Jan. 1624).