Naar inhoud springen

Pagina:Hamel, Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer (Hoetink, 1920).pdf/119

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

gehouden; alsoo den Coninck, des Conincx broeder, veltoverste ende andere grooten (ons toegedaen) seer tegen waren; den veltoverste seijde dattet beter was, eerse ons soude om hals brengen, datse een van ons tegen twee van haer met gelijck geweer soude setten, ende soo lange laten vechten tot dat wij doot waren, dat daermede den Coninck de naem van zijn ondersaten niet soude hebben dat het vreemt volcq openbaerlijck had om 't leven laten brengen, twelcq ons van goede luijden wiert secretelijck geseijt; geduijrende de vergadering was ons belast inde huijsen te blijven; wij niet wetende wat ons nakende was verhaelde sulcx tegens voorn. Weltevree, die simpelijck tegens ons seijde: kent gijlieden nog drie dagen leven, gij sult wel langer leven; des Conincx broeder die als hooft vande vergadering was, wanneer daer nae toe ging ende weder van daen quam, onse buert moste voorbij passeeren, namen hem waer, vielen op 't aengesicht voor hem neder, waer over ons ten hooghsten beclaeghde ende den Coninck zulxs aendienende, hebben alsoo door den Coninck ende sijn broeder tegen het woelen van veele ons leven behouden, wierden bij den Coninck, op 't aendringen van onse wangunstige, dog tot geluck der te recht gecomene, soo sij voor gaven dat wij weder bijden Tarter mochten loopen ende daer meer swarigheijt uijt conden ontstaen, in de provintie Thiellado[1] gebannen, alwaer ons den Coninck uijt sijn eijgen incomst 50 lb rijs smaents toe leijde.

Int begin van Maert zijn wij uijt des Conincx stad te paert vertrocken, bijden veelmaelgene Weltevree ende andere bekende tot aende rivier een mijltje buijten de stadt uijtgeleij gedaen. Wij in de schou gegaen sijnde, vertrock geseijde Weltevree wederom naede stadt, zijnde 't laetste dat wij hem gesien ofte seekere tijding van gehoort hebben; wij reijsden den wech tot inde stadt Jeham die opgereijst waren, passerende de selve steden, worden van stad tot stad van eeten en paarden op slants costen versien, gelijck opde boven reijs oocq geschiet was; eijndelijck in de stadt Jeam gecomen sijnde ende aldaer vernacht hebbende, sijn smorgens van daer weder vertrocken, ende quamen smiddaghs in een groote stadt met een fort, genaemt Duijtsiang ofte Thella Penig[2] alwaer de peingse[3] dat is de eerste naest den stadthouder ende overste over de militie van die

  1. Thiellado = Iulla Do (Ross) = Chulla Do (Griffis) = Tjyen Ra (Dict. Cor. Franç.). — Vgl. ook bl. 20, noot 8.
  2. ?
  3. "Pyeng-sa. Mandarin militaire; général de 2me ordre, commandant d'une province ou d'une demi-province...; (il n'y en a qu'un dans chaque province; il est au-dessous du gouverneur)" (Dict, a.v. bl. 321)