Naar inhoud springen

Pagina:Hamel, Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer (Hoetink, 1920).pdf/144

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

teijt met een beslooten cassje voor dengene die eenige versoeck aanden Coninck te doen hebben, 't sij dat haer van haer overheijt ofte imand anders ongelijck gedaen is, geen uijtspraeck van eenige rechters kennen crijgen, dat haer ouders ofte vrunden 't onrecht gestraft sijn ende andere apellen meer, welcke recqueste bijde luijden aen bamboesen gebonden worden ende bij haer agter een muer ofte pagger leggende worden opgesteeken ende bijde daer oppassende persoonen afgehaelt, den voornoemden secretaris ofte andere overgelevert, bij hem aanden Coninck tsijner thuijscomste, 't gemelte kassje overgelevert, om bij sijn Maijesteijt daer op voor 't laetst gedisponeert te worden, 'twelcq voorde uijtterste uijtspraeck gehouden wort, ende terstont sonder tegenseggen van imand ter executie gestelt; alle straten daer den Coninck passeert, worden aen wedersijde afgeslooten, niemand vermach eenige deur ofte venster open te doen ofte te laten, veel minder over eenige muer ofte pagger sien, soo wanneer den Coninck voorbij den adel ofte soldaten passeert, moeten met den rugh naer hem toestaen, sonder omkijcken ofte hoesten, waerom meest al de soldaten, met een houtie inde mont gelijck 't gebit van een paert loopen[1]. Soo wanneer den Tartarsen gesant comt moet den Coninck in persoon met alle d'groote heeren buijten de stadt hem 32 in halen en reverentie doen, hem convoijeerende tot in sijn logiement, wort meerder eere int inhalen ende uijtrijden dan den Coninck aangedaen, heeft alle gespel op instrumenten, springers ende buijtelaers

  1. "De Koning werd zoo zelden gezien, dat eenige, die wat afgelegen woonen, gelooven dat hy van meer als menschelijke aerd is, zoo als aen onze luiden zulks voorquam, en hen wierd afgevraegt. Hoe minder den Koning uit gaet, en van het Volk gezien werd, hoe vruchtbaerder dat zy het Jaer achten te zullen zijn; geen hond mag over straet loopen, daer hy zich vertoont" (Witsen, 2e dr. I, bl. 57). — "The king rarely leaves the palace to go abroad in the city or country. When he does, it is a great occasion which is previously announced to the public. The roads are swept clean and guarded to prevent traffic or passage while the royal cortége is moving. All doors must be shut and the owner of each house is obliged to kneel before his threshold with a broom and dust-pan in his hands as emblems of obeisance. All Windows, especially the upper ones, must be sealed with slips of paper, lest some one should look down upon his majesty. Those who think they have received unjust punishment enjoy the right of appeal to the sovereign. They stand by the roadside tapping a small flat drum of hide stretched on a hoop like a battledore. The king as he passes hears the prayer or receives the written petition held in a split bambo" (Griffis, Corea, 1905, bl. 222). — "Het Hof van den Koning, is omtrent zoo groot als de stad Alkmaer, met een muur omheint, die van gemetzelde steen en klei is gemaekt, hebbende boven op insnydinge van steen, als of het hane kammen waren.... Binnen dit Hof menigte van wooningen zijn, zoo groote als kleine, en alderhande lustplaetzen; daer binnen onthoud zich ook zijn Gemalin en Bywyven: want hy, als al het volk, maer een echte Vrouw heeft.... Den Koning van Korea, ter tijd van Meester Eibokken, was een grof en sterk man, zoo dat gezegt werd, hy een boog konde spannen, houdende de pees onder zijn kin, en trekkende dus den booge met zijn eene hand uit" (Witsen, 2e dr. I, bl. 59).