Naar inhoud springen

Pagina:Hamel, Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer (Hoetink, 1920).pdf/149

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de ruijters en soldaten daghelijcx oeffenen[1], niet anders denckende, dan dat haer d'een of d'ander opden hals comen soude [2], verboot mede bij avont geen licht 't sij inde huijsen ofte op 't land aande zeecant leggende te branden; den gemeenen man maeckten haer goetjen meest op, behielden meest soo veel om tot aenstaende rijs snijden te mogen leven, te meer door dien eer dat den Tarter het land innam, diergelijcke teekens aen den hemel hadden gesien[3], gelijck mede doen den Japander met haer in oorlogh quam, ende daer nog bangh voor waren; d'grooten ende cleijne vraeghden ons gestadigh waer dat wij quamen, wat men seijde in ons land, als sulcx gesien worde, seijde daer op dat sulcx bij ons een teeken tot straffe vanden hemel gehouden wiert ende gemeenelijck wel oorlogh, dieren tijt en quade siecte beduijde twelcke sij met ons affi[r]meerden.[4]

1665.

(35) Dit jaer suckelde daar soo al door; deden ons best om aen een vaertuijgh te comen, maer wiert altijt wederom gestooten; hadden een cleijn vaertuijgh daer mede wij onse toespijs beschaerde ende aende eijlanden voeren om de gelegentheijt te ontdecken of den Almogenden 't eeniger tijt nog eenige uijtcomste wilde verleenen; onse maets inde twee andere steden die door 't comen ende gaen van hare gouverneurs het somtijts soet ende suer hadden door dien de gouverneurs gelijck ons, gunstige en nijdighe waren, dog mosten met malcanderen al voor suijcker opeeten, denckende dat wij arme gevangens in een vreemt heijdens lant waren ende danckten Godt dat sij ons int

  1. "De Keizer [eene verschrijving voor Koning] oefent zijne krygsluiden dikmael, en doet die dan vechten tegen malkander, verbeeldende het eene gedeelte Koreërs en het andere Japanders, doch de Japanders schieten in't gemeen te kort, en veinzen zich te vlieden; na dat een langwylig spiegel gevecht is gehouden. Meester Eibokken zag 'er op eenmael, tweemael veertig duizend tegen malkander zoo stryden, dienende hy te dier tijd voor lijfschut" (Witsen, 2e dr. I, bl. 59).
  2. Vgl. ".., heden wierdt ons door de Tolcken verhaalt dat sijn Keyserlijcke Maijt in Jedo, wegens het vertoonen der Commeet Starre, daer van hier vooren op verscheijde dagen gesproken is, seer is ontset geworden, ende hadde (uijt vreese of op dit rijck ijets mochte geattenteert werden) in alle Lantsstreecke sijns gebiets, de Overheden ende Gouverneurs laten aenkundigen datse wacker en een wakent oogh in 't zeijl souden houden, opdat alsoo van alle onheijlen sooveel mogelijck bevrijt mochte sijn" (Dagr. Jap. 12 Febr. 1665).
  3. In 1619 (zie Inleiding, bl. XXXIII). — Vgl. Diary of Richard Cocks II, bl. 93-105, 7 Nov.-23 Dec. 1618; en J.W. IJzerman. Over de belegering van het fort Jacatra: "Jacatra, 7 Nov. 1618 "'S morgens tegen den dach sach ick de commeetstarre met een stardt recht boven de looghe vers[ch]ijnen" (Bijdr. Kon. Inst, dl. 73 (1917) bl. 586).
  4. Vgl. "The people in this place [Firando] did talke much about this comett seene, that it did prognosticate som greate matter of warr, and many did ask me whether such matters did happen in our cuntrey, and whether I knew what it did meane or would ensue thereof; unto which I answerd that such many tymes have byn seene in our partes of the world, but the meanyng therof God did know and not I etc." (Diary of Richard Cocks II, bl. 94-98. Nov. 1618).