Naar inhoud springen

Pagina:Hamel, Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer (Hoetink, 1920).pdf/192

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
waren verschenen. Na de Chinese gerugten in Japan liepen, soude op 't eijlant Lamoa [aan de kust van Zuid-China, bij Swatow] een Hollands schip gesneuvelt sijn waervan seecker Hollandtse vrouw, die eertijts in Taijouan had gewoond, nevens eenige manspersonen, sonder te seggen hoeveel, gebergt waren. Verders wordt uijt Japan gerelateert dat de Opperhoofden van 't fluijtschip Campen in 't zeijlen uijt Toncquin naer Japan, omtrent de noordhoek van Formosa een legger batavishen arack hebben gevischt, ende eenige cruijshouten nevens een combaers sien drijven 't welck twee dagen nae't vertreck van de Sperwer is geweest; zijnde het denzelven storm die de Trouw (over't noorderrif stootende) mitsgaders de cleijne lootsboot ende 't gallot Ilha formosa hiervoren gementioneert, hebben aengetroffen: sulcx datwij (God beter't) het sneuvelen van de voorn, schepen niet dan al te gewis houden.

... Met het sneuvelen van voorn, twee hechte schepen comt de Comp.e f 110.570.11.3 incoops te missen, hetwelck (God Beter't) aen desen noordcant, daer ons het ongeluck meest alle jaren treft, except de schepen ende 't costelijcke volck al wederom een grooten slag sij. (Gen. Miss. 19 Jan. 1654). [In Gen. Miss. 6 Febr. 1654 wordt ook weer van het verlies van de Sperwer gewag gemaakt].

7. ... gelijck mede ons ontstelt heeft het verlies van het fluijtschip Smient en t'jacht de Sperwer met haer volck en ladinge soo gemeent wort vergaen en gebleven, t'welck wederom een swaeren slach voor de Compe is, evenwel als van de machtige handt Godes comende met gedult moet opgenomen worden, t' schijnt dat wij in dat stormende vaerwater die periculen jaarlijcx onderworpen zijn en te verwachten hebben; wanneer maer de winsten daer tegens naer advenant mochten wesen, soude het buijten t'verlies van de menschen noch eenichsints troostelijck sijn. UE. worden nogmaels aengemaent doch wel te letten op de moussons en de schepen niet te laet derwaerts aff te senden, alsoo ons daer uijt groote onheijlen voortcomen. (Patr. Miss. 8 Oct. 1654).

17 Juli 1637 werd trouwens reeds van Taijoan naar Firando geschreven: "hoe noodich vereijscht wort dat de costelijcke goederen met de eerste besendinge behoort te geschieden, connen wij wel apprehenderen omme te ontgaen de stormwinden welcke de scheepen gemeenelijck tegens ulto Julio & Augustus in 't vaerwater tusschen Taijouan en Jappan subject sijn". Vgl. "in het westmousson, als het saijsoen sal weesen ver-