Naar inhoud springen

Pagina:Hamel, Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer (Hoetink, 1920).pdf/34

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

men, dat de lijst te breed is uitgevallen voor de schilderij door Hamel nagelaten, dat te veel aandacht is gewijd aan bijzonderheden ivelke niets leeren aangaande de lotgevallen van hem en zijne kameraden, noch omtrent Korea. Wie echter toegeeft dat die bijzonderheden op zich zelf wetenswaard mogen worden genoemd — gelijk mij toescheen — zal er vrede mede kunnen hebben dat daaraan in noten en bijlagen eene plaats is gegeven op grond van de uitspraak: „Men mag in werken als die van de Linschoten-Vereeniging wel een weinig buiten de orde treden."

Behalve zij, wier mededeelingen uitdrukkelijk zijn vermeld, hebben drie leden van het Bestuur der Linschoten-Vereeniging aanspraak opmijne erkentelijkheid: de Heer S. P. V Honoré Naber gaf blijk van zijne belangstelling door zijne zaakrijke voorlichting; Dr. C. P. Burger Jr, had de welwillendheid de samenstelling van de „Bibliographie" voor zijne rekening te nemen en de Secretaris, de Heer W. Nijhoff, heeft de verschijning van dit werkje met zorgzame hand geleid. Gaarne zeg ik mede dank aan den Heer W. C. Muller. Adjunct-Secretaris van het Koninklijk Instituut voor de Taal-. Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië, wiens kunde en hulpvaardigheid mijvan groot nut zijn geweest.

Moge deze uitgaaf van Hamei's „Journaal" er toe leiden dat het aandeel van Nederlanders in de „ontdekking" van Korea, opnieuw bekend wordt en belangstelling vindt.

Den Haag, 1920. B. H.