Naar inhoud springen

Pagina:Hamel, Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer (Hoetink, 1920).pdf/41

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

waarop militairen en inboorlingen waren uitgezonden die, onder het neerleggen van eenige duizenden Chineezen, in twaalf dagen, de rust herstelden[1]. Naar het oordeel van de Bataviasche Regeering was het verzet der Chineezen eene waarschuwing dat te hunnen opzichte minder vrijgevigheid moest worden betracht dan tot nog toe het geval was geweest en dat zij dienden besnoeid te worden in de vrijheden waaraan zij in hun eigen land niet gewoon waren[2].

    name Provintie gegeven ende sulcx van hier geapprobeerd was" [en welke Overtwater had herdoopt in "Hoorn"] "sijn vorigen naem van Provincie weder [te] geven."
    Na het verzet van Chineezen in 1652 werd "om bij revolte... Taijouan en Provintie niet te cunnen separeeren.., een suffisant redout aen de oversijde in 't midden van de cruijswech binnen voornde. Provintie" gemaakt (Gen. Miss. 24 Dec. 1652 en Miss. Batavia naar Taijoan dd. 26 Mei 1653, 18 Juni 1653 en 20 Mei 1654) welke redout in begin Mei 1661 aan Kosinga werd overgegeven. (Zie "'t Verwaerloosde Formosa").
    Van "het vleck Provintie" spreekt ook de gewezen Gouverneur Verburgh in zijn "Rapport aengaende de gelegentheijt van Formosa". Batavia 10 Maart 1654 (Kol. Arch, no. 1097). Op de kaart onder no. 305 in de verzameling van het Alg. Rijksarchief opgenomen, staat vermeld: "het vlekje Provintie".

  1. De uitgetrokken soldaten en hulpbenden "vonden geen grooter troupen als van 10 à 12 bij den anderen die haer hier en daer in 't suijckerriet ende andere veltgewassen hadden verborgen. Werdende alle die attrapeerden door onse ende der inwoonders handen om 't leven gebracht, zulcx in voorsz. 2 dagen tijts, omtrent de 500 Chinesen massacreerden".... "Soodat gedurende den oorloch in den tijt van 12 dagen tusschen de 3 à 4000 rebellige Chineesen in wederwraeck van 't verghoten Nederlants Christenbloet verslagen zijn, daermede oock dese revolte tot slissinge ende te niet doening is gebracht". (Gen. Miss. 24 Dec. 1652). De belooning aan inboorlingen, werd gerekend hun toe te komen voor 2600 gemassacreerde koppen.
  2. Als oorzaak van de revolte werd aangenomen "dat de principaelste Chineese lantbouwers wat geprospereert zijnde, nae staet ende gesagh traghtende, off wel door eenigh misnoegen off om al te groote vrijheeden die hun, om haer in dese Republicq aen te locken, toegelaten zijn, uijt eijgen movement dit verfoeijelijck ende verraders werck ondernomen hebben; 't sij soo het wil, dit is een goede waerschouwinge voor ons ende onse nacomelingen zoo wel hier op Batavia als Formosa, altijt een waeckend oogh jegens den arghlistigen ende trouweloosen Chinees in 't seijl te houden en besonder op Formosa wel in agting te nemen geen meester van eenigh geweer en werden. Bovendien hun de groote vrijheeden die se dogh in haer eijgen landt niet gewoon sijn te genieten, soo veel te besnoeijen als doenlijck sij" (Gen. Miss. 31 Jan. 1653).
    Heeren XVII waren van hetzelfde gevoelen (Patr. Miss. 30 Jan. 1654) doch kregen weldra een anderen kijk op het voorgevallene: "In UE voorsz, missive van den 26 Maij 1653 nae Taijouan geschreven, hebben wij niet sonder ontsteltenis gelesen dat veele van gevoelen sijn dat de jongste revolte der Chinesen op Formosa waerdoor omtrent 3000 van die natie om 't leven geraeckt sijn, ten principalen soude veroorsaeckt sijn door de