landers[1] zal elke afwisseling welkom zijn geweest en de verhalen welke deze acht als uit de lucht gevallen landgenooten konden opdisschen, waren bij uitstek geschikt om de verbeelding te treffen en het luisteren tot een genot te maken. Immers wisten zij te vertellen van een Oostersch land waarin, voor zooveel bekend was, tot nog toe geen enkele Europeaan was doorgedrongen en met welks bevolking zij daarentegen dertien jaren lang in nagenoeg volle vrijheid hadden verkeerd; het verhaal van het leven dat zij en hunne kameraden daar hadden geleid, eerst op het eiland waar zij aan wal waren gesmeten en daarna op het vasteland van Korea, zal door hunne toehoorders met spanning zijn gevolgd en aan dezen menige vraag in den mond hebben gegeven welke eveneens opkomt bij het lezen van het te boek gestelde verslag, maar het antwoord waarop ons blijft onthouden; het relaas van hunne wederwaardigheden, van hunne avontuurlijke vlucht en vooral van hunne ontmoeting met een landgenoot. Jan Janse Weltevree, die ruim een kwart eeuw vóór hen in Korea was gestrand, zal een diepen indruk hebben gemaakt.
Eveneens zullen de schipbreukelingen gretig hebben aangehoord wat hunne landgenooten te Decima konden vertellen van hetgeen in het
- ↑ "Dat geene Hollanders sonder vragen van 't Eijlandt en vermochten te gaan. Dat wel hoeren maar geene andere vrouwen. Japanse Papen nochte bedelaers op 't Eijlandt mochten comen". (Dagr. Japan 19 Aug. 1641). — Hoe ten tijde van hun verblijf in Firando. Compagnie's dienaren zich hadden te gedragen, blijkt uit de aanschrijving van Heeren Meesters (Patr. Miss. 3 Oct. 1637): "De onse moeten den Jappanders na de mondt sien en alles om den handel onbecommert te gauderen, verdragen"; zoomede uit de Instructie aan het Opperhoofd Nicolaes Couckebacker (ulto Mei 1633. Kol. Arch, no. 759) — Vgl. "Dat hij [nl. Couckebacker] sich in alle sijnen handel, wandel ende civilen ommeganck zoo lieftallig,vrundelijck ende nederig tegen alle en een ijder, soowel groot als clijn, sal hebben te comporteren dat hij bij de Japanse natie, die selfs van conditie wonder glorieus is, oock geen grootsheijt, trotsheijt of hoovaerdije in vreemdelingen can verdragen, bemint ende aengenaem sijn mach" (Gen. Miss. 15 Aug. 1633).
çois Caron den 29en Juli 1636 deze beschrijving gaf: ".., gingen het logement ofte gevanckenis der Portugeesen besichtigen, sijnde een werck 't welk in de baij van Nangasackij aen de Zuijtsijde van steen ende aerde uijt den water is opgehaelt,lanck een stadije ofte 600 voeten ende 240 voeten breedt, rondt omme met een dicht gependen pagger waerinne staen twee regelen huijsen en een straet in 't midden, hebbende een brugge omme van 't lant op dit eijlandt te gaen ende een waeterpoorte daer de Portugeesen twee mael in een voijagie passeeren sullen, te weten eens wanneer sij uijt haer galliotten gaen en eens als sij weder 't scheep gaen, sonder verder haeren voet daer buijten te mogen setten. Voorsz, woninge sal nacht ende dach met verscheijde wachtbercken ende wachthuijsen bewaert werden" (Dagr. Japan).