Naar inhoud springen

Pagina:Hamel, Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer (Hoetink, 1920).pdf/50

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

sterrol voor deze reis van "Amerongen"[1], komen de zeven schipbreukelingen van "de Sperwer" niet voor onder de 73 gegageerden noch onder de "ongegageerde coppen". Daarentegen wordt elders vermeld dat "de Spreeuw" den 20sten Juli 1668 "in dese landen arriveerde"[2], hetwelk — naar Heeren XVII schreven — den 15en dier maand zou hebben plaats gehad. Deze tegenstrijdigheid kan worden verklaard door aan te nemen dat "de Spreeuw" den 15en Juli in Texel of in het Vlie ten anker is gegaan en den 20en d.a.v, in de haven van bestemming — Amsterdam — zal zijn aangekomen.

De vrijgevigheid van de Compagnie zou men te hoog aanslaan door te veronderstellen dat de gewezen schipbreukelingen ditmaal den overtocht zullen hebben gedaan als passagiers; van Japan tot Amsterdam zullen zij deel hebben uitgemaakt van de bemanning en scheepsdienst hebben verricht, waarvoor zij trouwens ook gage hebben genoten.

Het beroep op het medelijden van de Bataviasche Regeering, te hunnen behoeve gedaan door het Opperhoofd in Japan. Willem Volger, bij diens komst te Batavia in het laatst van 1666[3], zal vruchteloos zijn gebleven. Wanneer toch een Compagnie's schip verloren ging, hield de gage der bemanning van dat oogenblik op en nam eerst opnieuw koers zoodra zij weder dienst deed. Zoo was nu eenmaal de vastgestelde regel[4], op grond waarvan Hendrik Hamel en zijne zeven makkers ook

  1. Monsterrol van 't Jacht Amerongen in dato 24 Dec. 1667 (Brieven en papieren overgekomen voor de Kamer Amsterdam, 1660-1668. Kol. Arch, no. 1153).
  2. "In dese landen daer en teghens arriveerden den 15, 16 en 20 Julij de navolgende retourschepen uijt Oost-Indiën: als de Hollantsche Thuijn, 't Wapen van Middelburgh. Cattenburgh. Outshoorn, de Tijger en Dordrecht den 7 December 1667, de Vrijheijt. Jonge Prins en Amerongen den 23 December, en 't Jacht de Spreeuw den 1 Januarij van Batavia af-geseijlt". (Hollantsche Mercurius. XIX, 1668, bl. 113). — Den 19en Juli 1668 al berichtte de Kamer Amsterdam aan de Regeering te Batavia de behouden aankomst van de Hollantsche Tuijn, 't Wapen van Middelburgh, Cattenburgh, Outshoorn, de Vrijheijt, de Jonge Prins en de Spreeuw; den 24en d.a.v, dat "Amerongen op den 20 deses in Tessel wel gearriveert" was. (Particuliere brieven van de Camer Amsterdam. Kol. Arch, no. 484).
  3. Zie Bijlage I d. Dit Rapport was "gedateert den lesten November" [1666]. (Verbaal Commissarissen 's Gravenhage van 23 Maart 1668. Kol. Arch, no. 301).
  4. Artikelbrief van de Geoctroijeerde Nederlandsche Oost-Indische Compagnie, dd. 8 Maart 1658. (N.I. Plakaatboek II, bl. 265, 270). Art. 42: ".., sulcks dat een yeder 't peryckel sijner Maent-gelden sal loopen op 't Schip ende goederen daer hy op vaert, ende dienvolgende 't selfde schip met alle syne ingeladen goederen ('t welck Godt ver-