"Galjodt is te voren ook genaemt een quelpaerd". Zoo luidt eene aanteekening in een "Register op de resoluties van de Kamer Amsterdam zeedert 1603 tot 1743"[1], waarbij tevens twee resoluties dier Kamer worden aangehaald, uit welke blijkt dat in de eerste helft der 17e eeuw in Nederland een type van Compagnie's schepen in de vaart was dat "quelpaert" werd genoemd[2]. Dit waren adviesvaartuigen, van een klein charter, bekwaam om zee te bouwen, vlugge zeilers en geschikt voor de vaart in ondiepe wateren. De veronderstelling ligt voor de hand dat het Quelpaerts-eiland zijn naam aan zulk een schip zal hebben ontleend.
Inderdaad heeft meer dan één Compagnie's "quelpaert" vóór 1648 de wateren van Oost-Azië bevaren.
Bij hun schrijven van 8 December 1639 gaven Heeren XVII bericht aan de Regeering te Batavia dat zij bij wijze van proef "het quel de Brack"[3] hadden afgezonden en wenschten te vernemen of "soodanige quel" de Compagnie op eenige vaarwaters dienstig zou zijn. Den 17en Januari 1640 uitgeloopen, kwam dit schip, dat nevens de groote schepen welke het vergezelde, zee had gebouwd, den 30en Juli d.a.v, behouden te Batavia aan. Het oordeel van de Indische Regeering over dit nieuwe scheepstype luidde gunstig; voor den dienst in Taijoan werd "het quelpaert" zelfs zoo geschikt geacht dat de toezending werd verzocht van nog twee of drie vaartuigen van dit slag. Al dadelijk valt op dat Heeren XVII spreken van het "Quel de Brack" en de Indische Regeering van "'t Galjot 't Quelpeert"; elders vinden wij dezen zelfden bo-
- ↑ Kol. Arch. no. 434. — Vgl. J.E. Heeres. Tasman's Journal of his discovery of Van Diemens Land etc., 1898, bl. 116, noot 2: "Quel is another name for a galiot"; en bl. 1, noot 3: ""Quelpaert" an old name for a galiot".
- ↑ Deze resoluties zijn overgenomen in het hiervoren aangehaalde opstel van Dr. J, de Hullu (bl. 856).
- ↑ Voor de op dit schip betrekking hebbende bijzonderheden zie Bijlage IIIC.
Aen 't Eijland 't Quelpaert 30 mijlen bewesten Firando gelegen, hadden getracht, om water te halen, met de boot te landen; d'Inwoonders desselffs hadden hun affgewesen, stracks daer op een roer gelost, en een van d'onse getroffen voor aen sijn kin, dat het schroot 't been kneuste ende diep in steecken bleef, sonder dat hun eenigh leet van ons geschiet was". "Dagh-Register der Compie in Nangasackij 't sedert 3 Novemr. Ao 1647 tot 8en Decembr 1648". (Kol. Arch, no. 11678). Zie ook Valentijn V, 2e stuk, 9e boek, 9e hoofdstuk bl. 89.