indertijd aan Jacques Specx verleenden pas[1] — die ter Generale Secretarije te Batavia onder de Compagnie's papieren was teruggevonden — besloot de Bataviasche Regeering dit document naar Taijoan en van daar met "het Quelpaert" naar Japan te laten overbrengen. Toen evenwel de opperkoopman Laurens Pith 5 September 1641 met dit staatsstuk te Taijoan aankwam, had "het Quelpaert" kort te voren zijn gaffel gebroken, wat de reden zal zijn geweest dat het fluitschip "de Saijer" in zijn plaats werd aangewezen om den oppercoopman Cornelis Caesar over te voeren, aan wien de bezorging van den pas werd opgedragen.
Eerst in het volgende jaar (1642) kwam "het Quelpaert" aan de beurt om van Taijoan naar Japan te worden gezonden.
Ook het doel van deze reis was, de Japansche Regenten gunstig voor de Compagnie te stemmen. Hoewel de Compagnie na hare verhuizing van de Pescadores naar Taijoan (1624)[2] zich feitelijk de souvereiniteit over het geheele eiland Formosa had toegekend, oefende zij tot nog toe slechts gezag uit over het zuidelijke deel daarvan, in de streek waar zij zich had gevestigd en de naaste omgeving. Ook had zij niet kunnen beletten dat de Spanjaarden zich in 1626 op Noord-Formosa hadden genesteld ter bescherming van hunnen handel van Manila met China, Macao en Japan [3], en zoolang de daar opgerichte Spaansche verster-
- ↑ "des ouden Keijsers pas, grootvader van dese regerende Maijesteijt daer in Japan menichmael ondersoeck om gedaen ende naer gevraeght is, om redenen dat gesustineert wierdt denselven civieler ende tot der Nederlanders vrijicheijt favorabelder als den gevolghden ingestelt was." (Miss. Batavia naar Japan, 2 Aug. 1641). — Vgl. Van Dijk, Iets over onze vroegste betrekkingen met Japan, bl. 40. — In het "Verbael uijt d' advijsen van verscheijde quartieren (16 Nov. 1641-16 Oct. 1642) wordt gezegd dat "do, pas weijnigh differeert met het pas dat gestadich ia Japan verbleven, aen den Hre Hendrick Brouwer verleent en onlanghs [aan] de grooten vertoont is".
- ↑ W. P. Groeneveldt, De Nederlanders in China, I (Bijdr. Kon. Instituut voor de Taal-, Land-en Volkenk, v. Ned.-Indië VI, 4 (1898), bl. 290).
- ↑ "Volgens d' advijsen dit voorleden noorder mousson van Teijouhan becomen, ende nae de rapporten van verscheijden overgecomen Chinesen alhier, mitsgaders nae de loopende geruchten in Japan, schijnt het seeker ende buijten alle twijffel te gaen dat den vijant van Manilha verleden zuijder mousson ao 1626 aent Noordt eijnde van Formosa gecomen ende op seecker cleijn eijlandeken genaemt Kelang-Tansuij, niet verre van 't groot Eijlant gelegen, plaetse geincorporeert, ende een drijpuntich fort op den houck van't' Eijlandeken begrepen heeft, sijnde nae rapport van seecker Chinesen tolck inde maent Junij ao pasto met drij gallijen, een fregat ende seven joncken, gemant met ontrent