Naar inhoud springen

Pagina:Hamel, Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer (Hoetink, 1920).pdf/96

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

't selve ten ancker te comen om vanden harden wint ende het hol water wat bevrijt te zijn, quamen eijdelijck met groot gevaer, agter 't selve ten ancker, costen egter wijnig bot vieren[1] doordien agter uijt een groot rif lagh daer het seer hard op brande. Dit eijlantie wiert den schipper eerst gewaer bij geluck uijt 't venster vande gaelderij[2] siende, soude licht anders op 't selve vervallen ende het schip verlooren hebben door den regen ende donckerheijt vant weer, alsoo daer (doent eerst sagen) geen musquet schoot vandaen waren. Met 't opclaeren vanden dach bevonden ons soo dicht opde cust van China vervallen te sijn dat de Chineesen in haer volle geweer met troppen[3] langhs strant sagen passeren op hope soo ons dochte dat wij daer mochte comen te stranden, dog is met de hulpe des Alderhoogsten2 anders geluckt. Desen dagh den storm niet verminderende maer toenemende, bleven voor ons ancker leggen, gelijck den volgende nacht ooc deden.

Den 2en do smorgens wast heel stil. De Chineese haer nog stercq verthoonende ende op ons als grijpende wolven (soo wij meijnden) stonden en wachten; als mede om alle periculen soo van anckers, touwen, als andersints voor te comen, resolveerde ons ancker te lichten, ende onder zeijl te gaen, om uijt haer gesicht ende vande wal te comen; hadden dien dach ende volgende nacht meest stilte.

Den 3en smorgens bevonden dat de stroom ons wel 20 mijl vervoert hadde, sagen doen weder de cust van Formosa, setten doen onse cours tussen beijde[4] door, met goet weder ende slappe coelte.

Vanden 4en tot den 11en do hadden veel stilte ende variable winden, sworven soo tusschen de cust van China ende Formosa door.

Den 11{[sup|en}} do cregen wederom hart weder met regen uijt den Z. oosten, gingen N.O. ende N.O. ten oosten aan.

Den 12: 13: en 14en do nam 't weer hoe langer hoe meerder aan met verscheijde winden en regen, soo dat somtijts zeijl en somtijts geen conde voeren, de zee wiert seer onstuijmigh, soo dat door 't geweldigh slingeren 't schip heel leek wiert. Hadden door den continueelen regen geen hooghte connen nemen, waren derhalven

  1. "een touw bot vieren", een touw tot het einde laten afloopen (Van Dale. Gr. Wdb. Ned, taal). Volgens eene andere uitlegging zou de juiste uitdrukking zijn: bocht vieren en zou men moeten verstaan: "wij lagen zoo nabij den wal ten anker dat wij niet nog meer bocht van kabeltouw konden uitsteken om wat veiliger te liggen". — Vgl.: "De gequetste visch duikt aenstonds na de grond: waerom de matroosen vaerdig bot geven" (Montanus, Gesantschappen, bl. 449).
  2. gaelderij of galerij, destijds de uitbouwsels aan het achterschip, soms van "kerkraampjes" voorzien welke onmiddellijk uitkwamen op de kajuit van den gezagvoerder.
  3. troppen d. i. troepen. Vgl. De Ruijter in zijn journaal dd. 10 November 1659: "doe sprong het volck met troppes over boort".
  4. d.w.z. tusschen de kust van Formosa en den vasten wal van China.