Naar inhoud springen

Pagina:Henri Ernest Moltzer, De Middelnederlandsche dramatische poëzie (1875).pdf/134

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

64


Dat ic u soe langen niet en sach.

Haer lief.

Laet ons gaen drinken een goet gelach,
45Mijn uutvercoren minnekijn,
Wi selen noch tavont met vrouden sijn
Lichteleec. Nu comt hier naer!
_______

Lippijn
.
O wi, here, es dat waer?
Bi gode, ic hebs ghenoech gesien,
50Want si leet metten bloeten knien
Eude hi esser tusschen gecropen;
Bi der doot ons heren, hi esser in geslopen,
Siet, met deser hoeren, ende geeft[1]mi te verstane
Dat si te messen pleght te gane,
55Ende leet ende droeyit[2] met enen anderen man
Ende maect van mi enen pol her Jan[3].
Si seet, si gheet int vleeschuus:
Bi sente Jan, ic sal haer dit abuus

    Klass. II bl. 1 no. 3 merkt op, dat het eigenlijk wordt gebezigd van iets dat den mond samenwringt of samentrekt, en v. d. overdrachtelijk voor akelig, wreed ook wel (III bl. 15 no. 8) zuur, stuursch. Verg. Uitlegkundig Woordenboek op Hooft in voce.

  1. Ende gheeft namelijk si. Zie op Esm. vs. 243.
  2. Droeylt d. i. van drollen: KIL. facetum et laetum se exhibere, dus pret maken, van het oude drol d. i. vroolijke snaak, waarover verg. KIL., niet van druylen d. i. suggredi, latenter sice clam ire dus sluipen, waarvan druiloor.
  3. Pol her Jan hierbij teekent HOFFMANN Hor. Belg. VI bl. 217 aan:
    »und macht aus mir einen Hurenwirrh, Herrn Jan, der also anderen sein Weib preisgiebt — vielleicht eine sprichwörtliche Redensart:" pol zou dan zooveel zeggen als boel en Jan »ein gewöhnlicher Name, der in vielen Redensarten angebracht wird," als Jan en alle man, Jan Rap en dergelijke; VERWIJS Bloeml. Gloss. vermoedt, dat de uitdrukking aan de eene of andere klucht is ontleend en tot een spreekwoord geworden, waarvan de zin ons
    is ontgaan. Ik geloof geen van beide, immers ook het Fransch noemt Jean: celui à qui sa femme fait porter des cornes, evenals Jeannin, waarbij LITTRÉ in voce het volgende versje aanhaalt:
    Ci-git maître Antoine Guillin,
    Qui de trois femmes fut Jeannin;
    Et, si la mort ne l'eût grippé,
    Sans cesse Jeannin eût été.
    Verg. almede DU CANGE's Glossarium in voce Joannes, ofschoon men naar den mij onbekenden oorsprong der zegswijze ook daar vruchteloos zal zoeken.