Deze pagina is proefgelezen
67
Van drincken ende van ouden dagen.
90Goede Lippijn, en wilt des niet ghewagen:
Uwijf waer daer bi gescent.
Lippijn.
Wat duvel, seldi mi maken blent
Van dingen die ic selve sach?
Ic sach dat si averecht[1] lach
95Ende hi raepter op haer slippen.
De comere.
Ey swijt, goede Lippijn,
En was anders niet dan u dochte[2].
En hoerde ghi noit seggen van alfsgedrochte[3]
Dat die liede pleghet te bedrieghen?
- ↑ Averecht d. i. op den rug. Van are, af en recht voegt VERWIJS
Bloeml. Gloss. er bij zoodat de dubbele r (in HOFFMANN's uitgave) eene verkeerde spelling is: in het Handschrift staat dan ook slechts éene r. - ↑ Dochte d. i. toescheen v. dinken. De comere zegt, dat er niets anders was dan hem toescheen of voorkwam d. i. dan hij droomde, dus dat hij iets had gezien in zijne verbeelding, dat echter niet werkelijk had plaats gehad.
- ↑ Alfegedrochte d. i. elvenbedrog. Broeder GHERAERT vertelt in zijne Natuurkunde van het Geheel-Al (ed. CLARISSE), dat er in de lucht duvele zijn en (vs. 719):
Coubouten, alven, nickers, maren,
die, behalve dat zij (vs. 710)
Doen den mensche dicken vrucht,
hem ook beguichelen, door hem dingen voor te spiegelen, die niet bestaan, doorgaans met kwade oogmerken", verg. Mr. L. PH. C. V. D. BERGH Proeve van een kritisch Wb. der Ned. Mythologie in voce alcon. MAERLANT houdt het er voor, dat de alven gevallen engelen zijn, die op hunne beurt den mensch ten val zoeken te brengen door hem »bede wakende ende in drome" te verleiden, zoodat hij — gelijk het vs. 114 wordt gezegd —
. . . . . . . hem selven niet en kint
en als met blindheid is geslagen. Zoo'n kwelgeest, alf of alvin, zou dan den armen Lippijn door zinsbegoocheling misleid en zijn »ghesichte al ontstelt" hebben.
Gedroch en gedrochte d. i. bedrog, fantasma, Rijmb. vs. 26856:
Maer het dochten sijn ghedroch,
maar de Hist. Schol. heeft: et visa sunt ante cos sicut deliramentum verba haec; vs. 23895, waar sprake is van Jezus' wandeling op het water:
Vervaerd waren die jongers doch
Ende hildent over een ghedroch.