Perzen, opdat hij hun meeningen zou hooren en zelf voor allen zou zeggen, wat hij wilde.
§ 1. Toen zij nu bijeen waren, sprak Xerxes het volgende : mannen Perzen, ik zal niet het eerst dit gebruik bij u invoeren, doch ik heb het overgenomen en zal er mij naar richten. Want naar ik van de ouderen verneem, hebben wij nooit rust gehouden, sinds wij deze heerschappij van de Meden overnamen, toen Cyrus Astyages omverwierp ; doch de god stuurt het zoo en als wij zelf veel verrichten, gaat het ons goed. Welke volkeren nu Cyrus en Cambyses en mijn vader Darius onderworpen hebben en bij hun macht gevoegd, gij weet het goed, en men zegge het niet. Doch ik, sinds ik den troon ontving, bedacht steeds, hoe ik niet bij mijn voorgangers in deze waardigheid zou achterblijven en geen geringere macht voor de Perzen verwerven, en bij nadenken vond ik tevens een roem, die ons komt, en een land niet kleiner dan wat wij nu bezitten, noch armer, doch rijker aan voortbrengselen, en tevens een wraak en vergelding.
§ 2. Daarom heb ik u thans bijeengeroepen, om, wat ik te doen denk, u voor te leggen; ik wil den Hellespont bebruggen en een leger door Europa heen tegen Hellas voeren, dat ik aan de Atheners wreek, wat zij de Perzen en mijn vader aandeden. En gij ziet ook, dat ook mijn vader Darius van zins was tegen die mannen op te trekken. En hij nu stierf en de wraak werd hem niet gegund, doch ik zal niet ophouden voor hem en de andere Perzen wraak te nemen, vóór ik Athene genomen en verbrand heb, dat mij en mijn vader het eerst kwaad deed. Eerst nu naar Sardes gegaan, gekomen met Aristagoras den Milesiër onzen slaaf, verbrandden zij de heilige wouden en de tempels ; vervolgens, wat