Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/16

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

27. De Lemmiërs nu streden goed, doch na langen tijd zich verdedigd te hebben, werden zij vernietigd. Over de overgeblevenen stelden de Perzen als onderkoning Lycaretus aan, den broeder van Maeandrius, die over Samus koning was geweest. Deze Lycaretus heerschte in Lemmus tot hij stierf. De oorzaak daarvan was de volgende. Otanes maakte allen slaaf en onderwierp hen, terwijl hij de eenen beschuldigde terug gebleven te zijn van den tocht tegen de Scythen, de anderen, dat zij het leger van Darius bij zijn terugkomst uit het Scythenland schade hadden toegebracht[1].

28. Zooveel dan volbracht hij als veldheer. Daarna was er, voor niet veel tijd, een verlichting van rampen; daar begonnen ten tweeden male van Naxus en Miletus uit rampen de Ioniërs te overvallen. Want zoowel stak Naxus in welvaart boven de andere eilanden uit, als was ook in dien zelfden tijd Miletus in zijn grootsten bloei en zelfs het sieraad van Ionië, terwijl het vóór dien tijd, gedurende twee menschengeslachten, ten zeerste door burgertwist geleden had, totdat de Pariërs ze bijlegden; want hen kozen de Milesiërs uit alle Hellenen als beslechters.

29. Doch de Pariërs verzoenden hen aldus. Toen hun aanzienlijkste mannen in Miletus waren gekomen, en natuurlijk zagen, hoezeer daar de bijzondere zaken slecht gingen, zeiden zij, dat zij het land door wilden trekken. En zij deden dat en trokken geheel Milesië door, en waar zij in het verwoeste land een goed onderhouden akker vonden, daar schreven zij den naam van den heer des akkers op. Toen zij nu het gansche land waren doorgetrokken en weinige zulke menschen

  1. Dit hoofdstuk is eenigszins bedorven.