Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/17

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

gevonden hadden, riepen zij, zoodra zij in de stad waren gekomen, een vergadering bijeen, en verklaarden dat genen de stad moesten besturen, wier akker zij goed onderhouden hadden gevonden, want dezen schenen hun toe, beweerden zij, ook voor de openbare zaken zoo goed te zullen zorgen, als voor hun eigene; de overige Milesiërs, die vroeger in twist waren geweest, bevalen zij genen te gehoorzamen.

30. Zoo dan brachten de Pariërs de Milesiërs tot vrede. Doch toen begonnen uit die steden de rampen op de volgende wijze aan Ionië te overvallen. Uit Naxus werden mannen, tot de rijken behoorend, verbannen, en verbannen geworden kwamen zij naar Miletus. De bestuurder van Miletus was toen juist Aristagoras, zoon van Molpagoras, en zwager en neef van Histiaeus. Lysagoras' zoon, dien Darius in Susa terug hield; want Histiaeus was heerscher van Miletus en geviel in Susa te wezenjuist in dien tijd, toen de Naxiërs kwamen, die vroeger gastvrienden van Histiaeus waren. De Naxiërs nu, in Miletus gekomen, vroegen Aristagoras, of hij hun niet eenige macht kon verstrekken en zij zoo naar hun eigen stad terugkeeren. En gene overlegde, dat hij, zoo zij door hem in de stad terugkeerden, heer van Naxus zou worden, en gebruikte de gastvriendschap van Histiaeus als voorwendsel en deed hun den volgenden voorslag. „Ik zelf kan u er niet borg voor staan, dat ik u een macht kan verschaffen groot genoeg om u terug te brengen tegen den zin der Naxiërs, die de stad hebben, want ik verneem, dat de Naxiërs achtduizend schilden bezitten en vele lange schepen, doch ik zal met allen ijver een middel uitdenken. En ik denk, dat het zóó zal gaan. Artaphrenes is mijn vriend; deze Artaphrenes, let wel, is de zoon van Hystaspes, broeder van koning Darius, en heer over alle kustbewo-