Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/201

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

gekregen hadden, deelden de burgers in de steden graan uit en maakten allen weitemeel en gerstemeel gedurende vele maanden, vervolgens zochten zij vee uit, het schoonst van waarde, en mestten dat, en zij voederden land- en watervogels in kooien en vijvers voor de ontvangst van het leger; bovendien maakten zij gouden en zilveren bekers en mengvaten en alle andere dingen, die op tafel gezet worden. Dit laatste nu werd voor den koning zelf en zijn tafelgenooten gedaan, doch voor het overige leger alleen wat tot de voeding behoorde. Wanneer het leger kwam, was er reeds een tent opgeslagen, waarin Xerxes zelf zich ophield, doch het overige leger bleef onder den vrijen hemel. Wanneer het uur van den maaltijd was gekomen, dan was er moeite voor hen, die het leger ontvingen, doch genen als zij zich zat gegeten en den nacht daar doorgebracht hadden, braken den volgenden dag den tent af, namen alle gereedschap mede en trokken zoo weg; niets lieten zij, doch alles ging mede.

120. Toen was er een schoon gezegd woord van Megacreon, een Abderiet, die de Abderiten aanried met al hun volk, zij zelf en hun vrouwen, naar hun tempels te gaan en zich als smeekelingen daar te zetten en de goden te bidden voor de toekomst de helft der gevallen rampen af te wenden, doch hun voor het geledene veel dank te brengen, dat koning Xerxes niet gewoon was tweemaal iederen dag spijs te gebruiken: den Abderiten toch ware de keus gebleven, indien hij hun had aangezegd een ontbijt zoowel als een hoofdmaal te bereiden, of den aantocht van Xerxes niet af te wachten of te blijven en op het slechtst van alle menschen om te komen.

121. Zij dan, hoezeer ook gedrukt, volbrachten toch het bevolene. Xerxes echter beval de vlootvoogden hem te wachten in Therme, en liet de schepen uit Acanthus gescheiden van hem voortgaan; in Therme, gelegen aan