Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/21

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

hij aan Aristagoras wilde aanduiden om af te vallen, wist dat op geen enkele andere wijze veilig aan te duiden, daar de wegen bewaakt werden, doch hij schoor zijn trouwsten slaaf het hoofd kaal en bestipte het, en liet de haren groeien, en zoodra die aangegroeid waren, zond hij hem naar Miletus, en droeg niets anders op, doch als hij in Miletus gekomen zou zijn, dan Aristagoras te raden, dat hij hem de haren zou afscheeren en op zijn hoofd zien; de stippen nu, zooals ik te voren reeds gezegd heb, rieden een opstand aan. Dit deed Histiaeus in grooten onwil over zijn terughouding in Susa; als er een opstand kwam had hij veel hoop naar de zee gezonden te worden, doch als Miletus niets kwaads deed, rekende hij er nooit meer te zullen heengaan.

36. Histiaeus nu had dat in den zin en zond den bode, doch voor Aristagoras geschiedden al deze dingen te samen op denzelfden tijd tegelijk. Hij beraadslaagde daarom met zijn aanhangers, en openbaarde zijn eigen meening en wat van Histiaeus gekomen was. De anderen nu gaven allen dezelfde meening te kennen, en riedenhem op te staan, doch Hecataeus de geschiedschrijver wilde ten eerste niet, dat hij een oorlog tegen den koning van Perzië zou ondernemen, en hij noemde al de volkeren op, waarover Darius heerschte, en zijn macht. Doch toen hij genen niet overreedde, ried hij hen in de tweede plaats aan, te maken, dat zij met hun schepen meesters van de zee zouden worden. Op een andere wijze nu, zei hij in zijn rede, zag hij in 't geheel niet in, dat dit zou geschieden, — want hij wist, dat de macht der Milesiërs zwak was, — doch als de schatten uit den tempel van Branchidae werden weggenomen, die Cresus de Lydiër gewijd had, dan had hij veel hoop meester van de zee te worden; en zóó zouden zij zelf