niet omkwamen, maar de Pheniciërs voor hun belastering het volgende loon ontvingen. Terwijl zij dat nog zeiden, viel een Samothracisch schip een Attisch aan. Het Attische nu zonk en een Eginetisch schip kwam aan en voer het schip der Samothraciërs in den grond. De Samothraciërs nu, speerwerpers zijnde, wierpen hun speeren en dreven de bemanning van het aanvallende schip af en bestegen en veroverden het. Deze gebeurtenis redde de Ioniërs. Toen Xerxes hen deze groote daad zag doen, keerde hij zich tot de Pheniciërs, daar hij toch zeer veel smart had en allen wilde beschuldigen, en beval hun het hoofd af te houwen, opdat zij niet, zelflafaards, de dapperen zouden belasteren. Want telkens wanneer Xerxes een der zijnen een daad in den slag zag verrichten, terwijl hij onder aan den berg zat tegenover Salamis. Aegyleos geheeten, vroeg hij naar den dader, en zijn schrijvers schreven den naam van het scheepshoofd op en zijn vaders naam en zijn stad. En ook Ariamnes, die er bij was, een Pers, vriend van de Ioniërs, droeg wat bij tot het lot van de Phoeniciërs. De daarmede belasten dan keerden zich tot de Pheniciërs.
91. Toen de barbaren nu vluchtten en naar Phaleron voeren, kwamen de Egineten in het vaarwater hun in den weg en verrichtten daden, waard om vermeld te worden. Want de Atheners vernietigden in het gewoel èn de schepen die weerstand boden èn die vluchten wilden, doch de Egineten hen, die uit den strijd te voeren, en zoo dikwijls er aan de Atheners ontkwamer, vielen zij den Egineten in handen.
92. Hier nu kwamen de schepen van Themistocles, dat een schip vervolgde, en het schip van Polycritus, zoon van Crius[1], een Egineet, dicht bij elkander; het
- ↑ Zie VI. 50, 73.