der Atheners het gebeurde, en vrouw spoorde vrouw aan en te samen gingen zij op eigen hand naar Lycidas' woning en steenigden zijn vrouw en zijn kinderen.
6. Op de volgende wijze waren de Atheners naar Salamis overgestoken. Zoo lang zij nog de komst van een leger uit den Peloponnesus verwachtten om hen te helpen, bleven zij in Attica, doch toen genen steeds meer uitstelden en talmden om iets te doen, Mardonius echter aanrukte en reeds in Boeotië heette te zijn, zoo dan brachten zij alles in veiligheid en staken zelf naar Salamis over, doch naar Lacedaemon zonden zij gezanten, zoowel om de Lacedaemoniërs te verwijten, dat zij den barbaar in Attica lieten vallen en niet met hen naar Boeotië genen tegen getrokken waren, alsook om hen te herinneren aan de giften, door den Pers hunzelf beloofd, zoo zij tot hem zouden overgaan ; ook kondigden zij aan, zoo genen de Atheners niet hielpen, dan zouden zij zelf wel hulp vinden.
7. Want de Lacedaemoniers hielden een feest in dien tijd en vierden de Hyacinthiën, en zij achtten het zeer hoog de dienst der godheid te vervullen ; tevens echter had de muur, dien zij in den Isthmus bouwden, reeds borstweringen gekregen. Toen de boden uit Athene in Lacedaemon kwamen, boden uit Megara en Plataeae met zich voerend, traden zij voor de ephoren en spraken het volgende : „ons zonden de Atheners, zeggende, dat de koning der Meden zoowel het land teruggeven als ook ons bondgenoot maken wil met gelijke rechten (zonder list en bedrog] en hij wil ons ook een ander land bij het onze geven, wat wij zelf maar kiezen zullen. Doch wij, uit ontzag voor den Helleenschen Zeus en uit afkeer om Hellas te verraden, stemden niet toe, doch weigerden, hoewel wij door de Hellenen slecht be-