van de Spartanen op de volgende wijze. Op den dag vóór dien, waarop het laatste gehoor der gezanten zou gebeuren, vernam Chileüs een Tegeaat, die onder alle vreemdelingen den meesten invloed te Lacedaemon had, deze vernam van de ephoren alles wat de Atheners gezegd hadden, en dit hoorend zeide Chileüs hun dan het volgende: „zoo nu is de zaak, mannen ephoren, zoo de Atheners niet goed met u, doch bondgenooten van den barbaar zijn, al is er nu een sterke muur over den Isthmus gebouwd, dan staan toch de poorten van den Peloponnesus wijd open voor den barbaar. Daarom luistert naar de Atheners, voor zij iets van nadeel tegen Hellas besluiten." Hij nu ried dat, doch genen namen zijn raad terstond ter harte; zij zeiden niets tot de boden van de steden gekomen, maar in den nacht nog zonden zij vijfduizend Spartanen weg en plaatsten zeven heloten bij iederen man, en aan Pausanias, zoon van Cleombrotus, droegen zij de leiding op. Het opperbevel was wel van Plistarchus, zoon van Leonidas, doch deze was nog een knaap en de ander diens voogd en neef. Want Cleombrotus, de vader van Pausanias en de zoon van Anaxandrides, leefde niet meer, doch nadat hij het leger bij het bouwen van den muur gebruikt uit den Isthmus had teruggevoerd, leefde hij niet lang meer daarna, doch stierf. Cleombrotus had het leger om het volgende van den Isthmus teruggebracht: toen hij offerde tegen den Pers verdonkerde de zon aan den hemel[1]. Pausanias koos bij zich zelf nog Euryanax, den zoon van Dorieus, een man van hetzelfde huis.
11. Zij dan waren met Pausanias uit Sparta getrokken. Doch de boden, toen de dag gekomen was, wisten niets
- ↑ Men behoeft hier niet aan een werkelijke zonsverduistering te denken.