Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen II (vert. v. Deventer 1893).pdf/340

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

van den marsch en gingen tot de ephoren, voornemens naar hun plaatsen terug te keeren. Zij traden voor de ephoren en zeiden: „Gij, o Lacedaemoniërs, blijft nu hier en viert de Hyacinthiën en speelt, verraders van uw bondgenooten; doch de Atheners, door u zoo verongelijkt en verlaten door de bondgenooten, zullen zoo goed zij kunnen met den Pers zich verzoenen. Want duidelijk is, dat wij bondgenooten van den koning worden, en met hem optrekken waarheen zij ons leiden. Gij echter zult dan leeren, wat voor u daaruit volgen zal." Toen de boden dit zeiden, beweerden de ephoren met een eed, dat naar hun meening de Spartanen op hun marsch tegen de vreemden reeds bij Orestheüm waren, want vreemden noemden zij de barbaren. De anderen, daar zij niets wisten, vroegen uitleg van dit antwoord, en bij hun vragen vernamen zij geheel de waarheid, zoodat zij in verbazing geraakten en genen ten snelste nareisden, en met hen deden vijfduizend zwaargewapenden, gekozen uit de omwonende Lacedaemoniërs[1] hetzelfde.

12. Dezen dan haastten zich naar den Isthmus. Doch de Argiven, terstond na het bericht, dat Pausanias uit Sparta met zijn leger weggetrokken was, zonden den besten hardlooper, dien zij vonden, als heraut naar Attica, daar zij vroeger uit zichzelf aan Mardonius beloofd hadden den Spartaan zijn marsch te beletten; en deze, toen hij in Athene gekomen was, zeide het volgende: „ Mardonius, mij zonden de Argiven om te zeggen, dat de jeugd uit Lacedaemon uitgetrokken is, en de Argiven niet bij machte zijn haar den marsch te beletten. Moogt gij thans een goeden raad vinden."

13. Hij dan keerde terug na deze woorden, doch

  1. Bewoners van het land Laconië, die in bezit van persoonlijke rechten en grond waren, doch geen staatkundige rechten hadden.